|
tScapreel Links
|
7 Dorestad; verzameling op zolder
28.4.2009 6 Kunsthal: teleurstellend
Het begon al niet goed. Het Kunsthalcafé
is kaal en ongezellig van uitstraling; iets tussen een jaren
'70 schoolkantine en een Oostduitse bierhal uit het hoogtepunt
van de Koude Oorlog. Je bevindt je onder de schuin oplopende
onafgewerkte betonnen vloer, op schuinstaande idem palen, van
het auditorium van het museum en kijkt aan tegen vilten wandbespanning
die er als een uitvergrote saaie Ploeg-stof uitziet. Er staan
grijs gestoffeerde banken, donkerbruine ongemakkelijke stoelen
en tafeltjes met nephouten bladen op een vaalgroene linoleumvloer.
Alleen in de kantine van de KB in Brussel is het ongezelliger,
maar die heeft zijn originele jaren '60 interieur gaaf bewaard,
terwijl dit product door Rem Koolhaas in 1992 is afgescheiden. In de Kunsthal kom ik al sinds de opening. Het is een verwarrend gebouw, waar ik nog steeds regelmatig de weg kwijt raak, maar er zweven me wel nog steeds onvergetelijke exposities voor de ogen en in de herinnering. Tot nu toe waren mijn bezoeken dikwijls vol verrassingen en kwam ik er heel vaak geheel opgeladen vandaan. Deze keer niet. Ik had uit de aankondiging begrepen dat er een tentoonstelling over 17e eeuws interieurschilderijen te zien was. Nee dus. Waarschijnlijk heb ik het verkeerd gelezen, want wat er hing was wat men in de gouden eeuw in Nederland zoal aan de wand had hangen. Het was niet erg aan mij besteed, want laten we wel wezen: niet iedere 17e eeuwse schilder was een Rembrandt, Vermeer of Hals. Op een enkele uitzondering na was het in mijn ogen van bedroevend lage kwaliteit, hoewel technisch dikwijls best goed geschilderd. Maar wat een prijzen er voor die minne kwasterijtjes tegenwoordig worden gevraagd is belachelijk. Ik zou ze niet eens cadeau willen krijgen. Aan de beide foto-expo's ben in een flink tempo voorbij gelopen: niets viel me op en en niets bleef hangen. De grote benedenzaal met de Anatolische presentatie was op drie tenten en een 'yoert' na geheel met tapijten, 'kelims', behangen. Kleurrijk, vormrijk, dat wel, maar het leek toch meer op een tapijtenwinkel dan een tentoonstelling. De tenten waren wel leuk en in één ervan kon je op een kussen zittend naar de tv kijken. Een duitssprekende jonge Turk uit Istanbul vertelde op de buis over zijn techniek om westerse (in dit geval Nederlandse) dames tapijtjes aan te smeren. Dat ging heel ver. Hij masseerde er één van mijn leeftijd (grijze golf) tot onder haar blouse. Tamelijk genant dus en wat het met Anatolië te maken had is me een raadsel gebleven. Tenzij de tapijtjes van die jongen natuurlijk daar vandaan kwamen Waar ik nog het langst bleef hangen was bij de affiches van Jan Bons (90), maar dat was eigenlijke meer uit jeugdsentiment. In mijn academietijd (1964-68) zetten we ons af af tegen ontwerpers als hij, met zijn knip-, scheur- en plakwerkjes. Wij waren de Zwitserse school toegedaan en raakten op den duur beïnvloed door de New Yorkers en zagen helemaal niets in het gefröbel als dat van Bons. Het deed me nog steeds niks, maar het zette wel een treffend tijdsbeeld neer van het kneuterige Nederland van de jaren '50 en '60. Ik ben blij dat we dat tenminste achter ons gelaten hebben. Historische dus interessant, die affiches, maar bepaald niet inspirered. Komt dat omdat Van Krimpen weg is? Enigszins teleurgesteld ben ik vertrokken en heb voor het eerst van m'n leven, hoewel ik er jaren bijna dagelijks langs kwam, in het Wester Paviljoen aan de kruising Nieuwe Binnenweg-Mathenesserlaan de lunch gebruikt. Beetje flauw. Het was geen erg geslaagd dagje Rotterdam deze keer. 18.3.2008 5 "Middeneeuwsche toestanden". Pierre Cuypers in het NAI.
18.11.2007 4 Teylers en het 'museumgevoel'
Ik was nog nooit in het Teylers Museum geweest. Zeker nu ik colleges over de historie van musea volg moet je zoiets toch wel een keer inhalen. Dus heb ik dat gedaan. Tja... Wat moet ik ervan zeggen? Mooie oude gebouwen en mooi vormgegeven nieuwe vleugels, die niks met het oude gebouw te maken hebben. Met veel glas en licht dus en dat viel op tijdens een zonnige lentedag. De ovalen zaal is indrukwekkend: veel krakend blank eiken en vitrines, maar je mag niet die gallerij op. Jammer. Hij staat stikvol oude wetenschappelijke instrumenten en in de middenvitrine liggen veel brokken geologisch materiaal. Verder 19e eeuwse zalen, in elkaar overlopend in een recht lijn zoals het hoorde in die eeuw, een enfilade heb ik geleerd. Een beetje shabby, met handgeschreven kaartjes bij de fossielen, gipsafgietsels van de schedels van onze oudste rechtop lopende voorvaderen en allerlei gesteenten. Nu weet ik ook meteen waarom ik er niet eerder geweest ben: ik snap dat allemaal niet en ik weet er niks van, dus ik zie er niets aan. Het is gewoon niet aan me besteed. Ik zie wel allemaal grijze golvers die in groepjes van twee een afdruk van een of andere saurus bewonderen of die een enorm stuk hafledelsteen staan te bespreken, maar ik loop er voorbij. Ik let op de afbladderende vensterbaken, de doorbuigende gietijzeren vloerroosters, de stukken mozaiekvloer die gerepareerd worden en de oude suppoosten die niet uitstralen van: ha, ik sta in Teylers. Maar ik kan er niks mee en ik loop door. Ik kreeg dan ook het 'museumgevoel'. Kent u dat? Je wordt eerst van dat slenteren erg moe, je voeten gaan pijn doen, je gaat geeuwen en de tranen springen in je ogen. Je wilt weg. Gelukkig kwamen er dan nog een paar zalen met 19e eeuwse schilderijen van allerlei bekende en minder bekende schilders. Je denkt: oh ja, daar is het echt begonnen de uitbuiting van het 17e eeuwse schilderij die terechtkwam in de 'boven de bank kunst' winkels en kruissteekpatronen: die landschapjes met koeien, die stormen op zee, die sneeuwlandschappen met ondergaande zon, die nep stadsgezichten en die historiescenes van mensen in 17e eeuwse dracht in interieur. Ik vind stadsgezichten leuk en interieurs kunnen me ook bekoren (er was ook nog een tekeningenzaal in Teylers met interieurs van de 16e (één stuks) tot en met de vroege 20e eeuw) en goede portretten kunnen me zelfs inspireren, maar het meeste was toch wel erg zoetsappig. Er stond nog iemand zo'n groot dramatisch landschap na te schideren ook. Ik vroeg nog: doet u dit nou voor uw beroep? Dat bleek niet zo, maar dat had ik, eerlijk gezegd, ook al gezien. Later hoorde ik nog een paar van mijn leeftijdgenotes tegen hem zeggen: leuk, als je zo creatief kan zijn, hè? Naschilderen creatief? Leerzaam, als je de techniek bestudeerd hebt en toepast, maar vernieuwend is anders. Ach, als je maar lol hebt. Er was een speciale expo over bloemen- en plantenschilderen, ter gelegenheid van het 200-jarige jubileum van Linnaeus' geboorte. Nou ben ik in mijn jeugd, ik zal een jaar of tien-twaalf geweest zijn, eens met mijn ouders en zus naar een bloemenstillevenstentoonstelling (hoeveel punten is dat bij Scrabble?) in het Dordrechts Museum geweest. Voor m'n leven verpest, dus. Volgens mij heb ik toen ook voor het eerst het museumgevoel meegemaakt. Ik kan geen levensecht gepenseeld vliegje op een tulpenblad meer zien! Er waren gelukkig niet veel vliegjes, maar des te meer bloemen, blaadjes, stelen, doorsneden en openleggingen. Ik heb daar niks mee, maar de diverse dames van zekere leeftijd des te meer. Het klonk of ze alles in hun eigen tuin hadden staan en ze waren luid en duidelijk te verstaan. Ook aan het andere eind van de toch niet kleine zaal. Ik heb van het toilet gebruik gemaakt, maar had geen puf meer om in het geheel glazen restaurant, of was het nu een cafetaria, te gaan zitten. Ik ben weg gegaan. Twee kleine schilderijtjes bleven me bij. Op de ene een man en op de andere een vrouw, Biedermeiertijd, die je indringend aanstaren, alsof ze iets van je willen. Prachtig, helder en gedetailleerd geschilderd in frisse kleuren. Onvergetelijk. Ze zitten nog steeds op m'n netvlies. Ene Corbet heeft ze geschapen, dacht ik, maar ik kan niks over de man vinden. Heb ik de naam verkeerd onthouden? 19.4.2007
Dat was een bonus. Maar ik werd ook helemaal lyrisch over de nieuwe opstelling van het aardewerk in de kelder van datzelfde paviljoen. Nou heb ik natuurlijk een tik, met mijn liefde voor eenvoudig gebruiksaardewerk door de eeuwen heen, maar dit museum komt daar dan wel heel erg aan tegemoet. Als mensen willen weten hoe middeleeuwers en latere voorouders in hun huisraad zaten, stuur ik ze altijd naar Rotterdam, want daar hebben ze er al sinds de bouw van het paviljoen echt werk van gemaakt. En nu is het wel heel erg mooi neergezet in de vitrines. Ik heb geen idee hoe dit soort exposities overkomt op de gemiddelde museumbezoeker. Misschien is het inderdaad wel meer een studiecollectie (en dat schijnt niet meer te kunnen als ik de museumdeskundigen moet geloven), maar wat een feest van kleur en vorm. En hoe fris geëxposeerd. Ga dat echt maar eens zien... En als je dan toch in Boijmans bent, loop dan even door naar de collectie oude kunst, waar een hele serie uitlenen van het Rijksmuseum te zien is. Zo zag je ze in Amsterdam nooit. Ik heb een hele tijd doorgebracht in het zaaltje waar de Zeven Werken van Barmhartigheid van de Meester van Alkmaar uit ca 1504 hangt. In het Rijksmuseum was je altijd omgeven door horden toeristen die op weg waren naar de Nachtwacht, maar hier kon je, goed uitgelicht en in alle rust, alles perfect in je opnemen. Ik heb speciaal de kleding, zoals die in Nederland rond 1500 gedragen werd, tot in detail bekeken. Heerlijk. Dat het zo rustig was kwam natuurlijk ook door het weeralarm, dat veel mensen thuis hield, maar voor mij was het een perfecte gelegenheid om op m'n gemak te genieten. In het volgende zaaltje hangt trouwens een stel prachtige portretten door mensen als Maerten van Heemskerck en Jan van Scorel en nog wat werk van Lucas van Leyden, die voor mij op één lijn staan met Hans Holbein. Wat een schilders, wat een prachtige portretten, hoe mooi is de kleding uitgebeeld! En er hangt en staat ook nog het nodige middeleeuws werk. Als klap op de vuurpijl kon ik in de winkel nog een exemplaar van Rotterdam Papers VI uit 1986 aanschaffen. Ik heb jaren gedacht dat dat werk al lang uitverkocht was, maar ze hadden er nog een stel gevonden bij de uitgever en in het kader van de nieuwe aardewerk opstelling in de winkel gezet. In dit deel uit de zeer belangrijke serie Rotterdam Papers, over middeleeuwse archeologie, wordt namelijk het grootste deel van de aardewerkcollectie van H.J.E. van Beuningen en zijn vrouw M. de Vriese beschreven. Dat was dus voor die collectie in 1990 aan het museum, dat gedeeltelijk naar de oom van deze aardewerkverzamelaar is genoemd, werd geschonken en in het naar beide schenkers genoemde paviljoen terecht kwam. U begrijpt: mijn dag kon niet meer stuk. Bijna al die schotels, potten en kannen had ik in de expositie gezien en ik kon er thuis dus nog eens van genieten. Kortom: een heerlijk middagje gehad. En daar deden de saaie, donkere stillevens van Willem Kalf en de stinkende en pretentieuze opstelling moderne kunst op de begane grond van de nieuwe vleugel niets aan af. Dus: op naar Rotterdam als je wat moois wilt zien. 1.3.2007
Kijk nu eens naar zo'n tentoonstelling als Het geheim van de Kelten in het RMO. Het zal niemand de laatste jaren ontgaan zijn dat Kelten 'in' zijn. Persoonlijk juig ik de toename van Ierse pubs al jaren toe, ik ben al van jongsaf zeer gecharmeerd van Ierse en Schotse volksmuziek en ik heb met veel genoegen enkele vakanties doorgebracht in wat men 'Keltische' gebieden noemt: Schotland, Wales en Bretagne. Dat laatste gebied, Bretagne, was echter tegelijkertijd er de oorzaak van dat mijn ogen voor de moderne Keltofilie open gingen. Deze Franse provincie is zeer ingesteld op het toerisme (veel meer dan Schotland en Wales) en deed er toen, en misschien nu nog wel, alles aan om de bezoeker van het Keltische verleden te overtuigen. Zo bezochten wij, omdat we aan de rand ervan kampeerden, het bosgebied Broceliande. In de vroege jaren '90 stikte het er al van verwijzingen naar Arthuriaanse legendes en kon je er ondermeer de graven van Merlijn en Morgaine bezoeken, een feeënmeer bekijken, en een Vallée sans Retour (die liep dood...) bewandelen en diverse andere gedenkwaardigheden tegenkomen. Wat onderzoek in de aangeschafte brochures bracht echter aan het licht dat deze attracties pas uit het eind van de 19e eeuw dateren (en nog later) en bedoeld waren om toeristen naar deze arme streek te trekken. Er wordt door de regionale VVV's nog steeds dankbaar gebruik van gemaakt. Ik ben er nog steeds niet achter of het gebied voor die tijd ook al Broceliande heette, maar het zou me, eerlijk gezegd, verwonderen. Hebben landen als Ierland en Schotland en streken als Wales en Bretagne gewoon goede PR mensen in dienst (gehad)? Iedereen associeert hen immers met 'Keltische producten'? Whiskey, harpen, tartans, shamrocks, heather, elfjes en kabouters, koning Arthur en zijn ridders, doedelzakken en opwindende dansen zijn evenzoveel voorbeelden van de Keltische cultuur. Het zijn tevens evenzovele 'merken' geworden. En tegenwoordig komen daar ook nog de meisjes met zwartgeverfd haar en oogleden, dromerige blikken en lange flodderjurken (zie foto) en mannen met kale, half blauw geverfde koppen en een grote dorst bij. Tenminste, dat zegt en toont de inleiding van de Keltententoonstelling in een van mijn vaste museumstekkies, het RMO in Leiden. Ook zijn tijdens een bezoek steeds weer, gelukkig korte, fragmenten van Keltische muziek te horen. Het viel me eigenlijk tegen dat je in het RMO geen Guinness of Murphy's Red kunt krijgen, maar dat zou misschien te ver gaan. Is het museum een autoriteit? Ik denk het wel. Zo'n tentoonstelling als in het RMO, eerder te zien in Venlo, is natuurlijk niet door de eerste de beste verzonnen, dat zullen toch wel wetenschappers geweest zijn. Ook zo'n vormgeving, die is vast door geroutineerde en vakkundige specialisten gemaakt: aan elkaar vastgeschroefde rondhout constructies rondom de vitrines en ... tja, wat zijn het eigenlijk? Ruim drie meter hoge spoken van witte lakens en een papieren muts met iets dat op een zwart gemaakt gezicht lijkt? Of is het uitgelopen ogenschaduw en zijn het elfengeesten? Als zo'n papieren muts trouwens afvalt en het witte laken over zijn constructie afzakt (hetgeen bij mijn bezoek bij één van die dingen het geval was) blijft er een beetje zielig hoopje stof over; een soort geimpoviseerde kinder-tipi. Ik kwam er dus niet uit. Misschien een mengsel van primitieve ijzertijd houttechnieken (maar dan met roestvrij stalen bouten) en de geesten der druïden? Deskundige expositiemakers kunnen in de Nederlandse musea perfect uitgebalanceerde, uitgelichte, gekleurde en beletterde uitstallingen neerzetten. Daar schort het niet aan; het is er goed en esthetisch verantwoord toeven. Maar de inhoudelijke informatie, zowel uitgaande van de stukken als de teksten was in Leiden (en Venlo?) nogal minimaal. Het is dat er ook een paar poppen in Keltische klederdracht stonden, zodat je van een paar zaken kon zien hoe ze gedragen werden, maar anders werd je nog niet veel wijzer van hoe de Kelten echt leefden. En wie waren die Kelten dan wel? Dat werd ook niet echt duidelijk, maar ik begrijp dat de geleerden er zelf eveneens nog niet uit zijn (zie Archeologie Magazine 5 (2006) 6-11 en 6 (2006) 18). Misschien stond het in het boek, maar dat heb ik niet gekocht; een tentoonstelling moet voor mij ook zonder boek voldoende informatie geven. Ikzelf zag allerlei ijzertijd spullen liggen, met opmerkelijk veel bronzen emmers, sieraden en wapens er tussendoor, met zeer korte en nogal nietszeggende uitleg erbij. Die soms ook nog behoorlijk de fout inging. Je zou bijvoorbeeld de indruk kunnen krijgen dat zo'n emmer, gevuld met wijn (er kan wel 24 liter of meer in!), de ronde deed tijdens zo'n typisch Keltisch drinkgelag en dat men daaruit dronk. In een andere vitrine stond echter een prachtige, eveneens bronzen, tuitkan om te schenken en ergens anders lag nog zo'n mooi bol bronzen zeefje, dat voor het scheppen van wijn, met droes, gebruikt werd (stond erbij!). Net als de Grieken verdunden de Kelten (ik krijg de neiging er aanhalingstekens omheen te gaan zetten) wijn met water en die 'emmers' dienden dus als mengvat, net als bij de Grieken en diverse andere pre-historische beschavingen. En waren die oudste invallers in het Griekse gebied niet een soort proto-kelten, waarvan de Thraciers en Macedoniers nog resten bewaarden evenals de Myceners die net als de Kelten met strijdwagens reden? Maar ik dwaal af... Die poppen. Mooi gemaakt, dat wel, en de kleding is netjes met de hand genaaid (voor zover zichtbaar) en afgewerkt en de spullen kloppen wat uiterlijke vorm ook best. Maar ik let natuurlijk op de details. Vooropgesteld moet worden dat er niets (of in ieder geval zo goed als niets) van Keltische kleding bewaard is gebleven en dat bronnen zeggen dat Kelten in ruiten rondliepen, of in ieder geval in veelkleurige kleding. Mijn vraag is dan of de hier getoonde ruitstofjes waarschijnlijk zijn; ik kreeg associaties met ouderwetse matrasovertrekken of auto-plaids. En zou de 'vorst' van Oss (het had m'n broer kunnen zijn, inclusief het buikje) niet een geheel met bont gevoerde mantel kunnen bekostigen in plaats van alleen dat zielige randje? En had hij niet beter een mooie wollen tuniek aan moeten hebben in plaats van dit linnen exemplaar dat ook nog eens blauw geverfd was. Voor niet-kenners: voor de introductie van onze moderne chemische verfstoffen was linnen zeer moeilijk te kleuren. De verfstof wede zou in theorie die kleur blauw hebben kunnen opleveren, maar het is de vraag of dat ruim 500 jaar voor Christus ook bij linnen het geval geweest zou zijn. Sommige onderdelen van kleding zijn echter wel bewaard gebleven, onder andere de schoenen. Die lagen er in een vitrine en vertoonden het bekende rijgprincipe, de bij re-enacters zo bekende ijzertijdsandaal zoals die in HOME (Eindhoven) al jaren gedragen wordt. De poppen hadden ze ook aan, maar bij hen was het leer wel 5-6 mm dik terwijl de echte, krimp meegenomen, toch leer bevatten dat niet dikker dan 2 mm was. Die discrepantie was dus te voorkomen geweest. En ik heb grote twijfels aan de gedraaide mouw in het hemd van de boer met de schop, evenals aan het split in diezelfde mouw, maar ik kan dat bij gebrek aan bewaard gebleven hemden natuurlijk nooit hard maken. Ik moet trouwens kwijt dat ik geen aanmerkingen op de kleding en verdere uitrusting van de vrouw had: mooie stof, goede kleuren, correct in elkaar gezette peplosjurk (over Grieken gesproken!), mooie muts, gordel, sieraden en spintolletje. Alleen was ze nog niet aan weven toe, zoals op het bordje stond; ze zat nog te spinnen.
Interactief dus: stempelen, op de foto gaan, multiple choice vragen beantwoorden op een computer en met een viltstift een wens op een papieren handdoekje schrijven en het resultaat aan een tak knopen. Maar niet leren waar die grote bronzen emmers voor dienden, hoe dan die strijdwagen eruit zag, waarom ze hun zwaarden oprolden (maar misschien weten de geleerden dat ook niet) en waarom ze ruitjesbroeken droegen. Ik vraag me echt af of de heren en dames wetenschappers wel eens nadenken over het effect van hun tentoonstellingen. Of de bezoeker er iets wijzer van wordt, of een 'kid' hier wat opsteekt, of de collega's hier nieuwe gezichtspunten op kunnen doen. Wat ik zie is dat bezoekers braaf in de ruimte rondlopen en de opschriften lezen, dat ze gezellig op de foto gaan (en niet alleen kids) en hun bril dan niet afzetten (zo'n plastic helm met een bril eronder is hillarisch), en hem vervolgens, met wat moeite, als e-card naar de familie mailen, en dat vaders (zelden moeders) met zoons en dochters netjes de antwoorden op het scherm aantikken. En schoolklassen die zo snel mogelijk hun vragenlijsten invullen: wie het eerste klaar is. Men staat erbij, loopt erlangs en men kijkt ernaar. Ik weet het niet. Is dit de methode? Omdat alle musea dat zo doen? Moeten we echt geloven en pikken wat de autoriteiten in de musea ons voorzetten? Ik twijfel. De tentoonstelling is er nog
tot 13 mei.
Ik weet niet hoe het komt maar
ik heb een zwak voor het Catharijneconvent. Ligt het aan de collectie?
Ligt het aan de gebouwen? Ligt het aan de sfeer? Wie zal het
zeggen, maar ik kom er graag. Vooral op herfstige dagen, als
je er via de oude Utrechtse straten en grachten, omgeven door
vallende bladeren en een druilerig motregentje, naar toe kunt
lopen vanaf het station en de Utrechts kooptraverse. De sjieke
grachten-entree is al een aantal jaren verplaatst: je moet nu
door een gang naar een binnenplaats daarachter. Vandaar kom je
in een hoge, supermoderne glazen serre waarin kassa, restaurant
en winkel gevestigd zijn. Het was toen al even wennen, maar de
koffie en het chocoladegebak zijn altijd goed (hoewel niet goedkoop;
diverse studenten en scholieren knappen op die prijzen af) en
het personeel is onveranderd vriendelijk. Ik kom eigenlijk zelden alleen
voor de tentoonstellingen in het Catharijneconvent. Ik proef
daar wel aan, en dan probeer ik me open te stellen om geraakt
te worden door bepaalde stukken en voorwerpen, maar ik loop er
net zo goed binnen om een paar ouwe getrouwen op te zoeken. Vooral
de middeleeuwse stukken verdienen mijn aandacht. Ik ga altijd
even in de 'schatkamer' naar de exquise hoogmiddeleeuwse edelsmeedwerken
kijken en neem dan een paar oude, vroegmiddeleeuwse albes en
kazuifels mee. Ik zeg het grafbeeld van de middeleeuwse edelman
met het rad op zijn schild even gedag. Ik kijk even naar de kleding
op een paar 16e eeuwse aanbiddingsschilderijtjes of heiligenportretjes
en lach even om de ernstige tronies van de Jeruzalemvaarders.
En ik kijk en luister naar de bezoekers (maar dat doe ik in elk
museum). Komisch intermezzo: in het zaaltje met de getijdenboekjes (of is het getijdeboekjes?) kwamen een paar suppoosten binnen die klappen en schoppen uitdeelden tegen een vitrinekast met de mimiek of ze een auto keurden op gebreken. Op mijn vraag of er kosten aan waren konden ze me geen weerwoord bieden. Gelachen. Wat de snoepjes in het museum waren? Het prachtige houten beeld van Franciscus dat me in de beeldententoonstelling al opgevallen was en waarvan ik nu eindelijk de methode voor het knopen van de touwgordel van de Minderbroeders heb geleerd. Het stond wel erg hoog tegen de wand. Het portret van Luther tegen die intens azuurblauwe achtergond: prachtig! De nonnenhabijt als voorbeeld van hoe die kleding er nu echt uitzag; genoten van de fijnheid van afwerking. In complete tegenstelling: de harige pij van Aziz. Bijna een provocatie, maar toch leuk. En dan nog dat fragment van een psalm op hele noten in de kapel in het 19e eeuwse huis, als onderdeel van Feest!. De rillingen liepen over mijn rug. Ook het korte gesprekje met een paar studenten die het komische van een 16e eeuwse martelscene inzagen, was een opstekertje. Ik ben er niet lang gebleven,
nog geen twee uur, maar toch heb ik me weer goed vermaakt. De
minpuntjes vielen in het niet tegen de nieuwe inrichting, die
weliswaar veel doet denken aan de oude, maar die veel helderder,
minder 'pluche-en-eikenhout-in-de-was-en-dikke-sigaren' Rooms
is. Kortom: het was een bevredigend maar kort bezoekje dat weinig
negatieve gevoelens achterliet. Een goed begin voor een museumrecensies-reeks,
dacht ik. Ik ga geen cijfers geven voor musea en exposities,
maar voor mij mag het Catharijneconvent blijven. I'll be back.
Ook voor het, weer prima, chocoladegebakje. |