tScapreel Links

Terug naar Home

 Museumrecensies


7 Dorestad; verzameling op zolder

Dorestad-poster


Het is al veel te lang geleden dat hier een nieuwe recensie stond, dus na mijn laatste museumbezoek op donderdag 23 april 2009 moest het er maar weer eens van komen. En ik doe dan gelijk maar een herhaling; het RMO. De laatste keer ging het over Kelten, nu voornamelijk over Franken, Friezen en Fikingen, eh… Vikingen.

Toen ik binnenkwam in het museum viel mijn oog al op het ‘boek bij de tentoonstelling’ en ik heb het maar gauw even doorgebladerd. Ik vond € 29,50 echter net even te duur voor iets dat er als een praatje bij een plaatje uitzag; een beetje zoals het Vikingen-boek van dezelfde schrijfster. Leuk voor de leek (heeft die er zoveel geld voor over?) maar ik heb graag wat meer voetnoten. En daarna dus op naar de zolder.

De expositie is verdeeld over twee boven elkaar liggende ruimten en heet Winter (op 1) en Zomer (op 2) en dat wordt gesymboliseerd door tentachtige huisjes in de eerste en houten steigers in de tweede zaal. Ik doopte ze direct respectievelijk: de Camping en de Jachthaven.  Oneerbiedig? Nee hoor. Ik vond het een hele keurige tentoonstelling: alles was er, al was het maar 1 % (echt waar?) van wat opgegraven was of in het museum paste. In de door de tenten en plankieren brekende hoge vitrines (die ik herkende van eerdere tentoonstellingen) stonden en lagen spaarzaam verzamelingetjes vondsten. Soms was een grotere bak gevuld met grotere spullen of lagen er skeletten in één van de tenten. Ik heb het al eerder gezegd: Nederland heeft een naam op te houden als het gaat om lekker esthetisch vormgegeven exposities en dit was er weer één. Keurig dus. Maar kwam ik er opgeladen uit? Nee.

Ik dacht achteraf: misschien ben ik teveel verwend. Of zie ik te veel van die nette opstellingen en word ik het een beetje zat. Misschien ligt het aan mijn steeds ‘grumpier’ wordende houding. Maar dan kom ik weer eens in een niet historisch museum (het NAI, Boymans, Siebold) en dan denk ik: het ligt niet aan mij. Ik kan nog steeds verrast worden. En creatief gestimuleerd, zodat ik zoemend van inspiratie zo’n museum verlaat. Ik heb dat helaas al lang niet gehad in het RMO. Wat is er dan mis mee?

Context, denk ik. Als ik als leek (en dat ben ik natuurlijk helemaal niet! ) iets wil leren over zo’n vroege handelsmetropool wat heb ik dan aan rijen muntjes, bakken scherven, een stel zwaarden en lanspunten (wow, cool!), een paar skeletten, weer die Dorestad fibel, glazen, gereedschappen, sieraden, noem  maar op. Ik wil weten hoe en waarvoor die gebruikt werden, wat daar voor mensen woonden en wat ze zoal deden in de ‘tenten’. Niet hoe de handelsroutes liepen, waar precies wat gevonden werd en de zoveelste reconstructie van een opgravingsputje. Ik wil weten hoe die mensen eruit zagen (wat dat betreft was men met de Kelten op de goeie weg, alleen jammer van de kleding en schoenen toen), wat ze aten en hoe ze dat klaar maakten en hoe dat handelen, opbergen, varen, plunderen en het Christendom verspreiden nu eigenlijk precies ging. Het leeft niet; het is het op een nette manier en perfect uitgelicht tonen van rijtjes en verzamelingetjes. En dan ook nog met minieme uitleg. En zeker geen data. Ik zou bijvoorbeeld wel willen weten van wanneer het meest linkse zwaard was en of dat ouder of jonger was dan het rechtse en hoe dan die ontwikkeling in de vormen verliep en waarom. Ja, dat het geliefde handels- en plunderwaar was geloof ik direct, maar wat was er dan zo bijzonder aan en hoe kwam dat?

Nou kun je natuurlijk zeggen: ja, als je wilt zien hoe die mensen leefden ga je maar naar een Schothorst weekend. Maar niet alle bezoekers hebben de gelegenheid daartoe, of de zin daarin. Maar je kunt toch ook daar een foto- of video-reportage maken van het dagelijks leven zodat je kunt laten zie hoe die ketel aan de ketting gebruikt werd en en wat er inging. En niet die paar fotootjes in het boek (inclusief koeiehuid aan de wand; ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat echte 8e eeuwers daar eerder schoenen van zouden maken). Ik noem maar wat. Je kunt dat toch een beetje creatiever doen? En als we het dan toch over creativiteit hebben: de kinderspelletjes waren weer van een stuitende simpelheid, waarvan ik me niet kan voorstellen dat de hedendaagse jeugd er langer dan 5 minuten mee bezig zal zijn.

Kortom; ik was niet gesticht. Ik was niet verrast, inhoudelijk noch esthetisch. Weer jammer, want wanneer zal ik nou eens wat aardigs over de middeleeuwen in het RMO kunnen zeggen? Het is zo’n leuk museum met zo’n mooie collectie en dan dit weer…

28.4.2009



6 Kunsthal: teleurstellend

Het begon al niet goed. Het Kunsthalcafé is kaal en ongezellig van uitstraling; iets tussen een jaren '70 schoolkantine en een Oostduitse bierhal uit het hoogtepunt van de Koude Oorlog. Je bevindt je onder de schuin oplopende onafgewerkte betonnen vloer, op schuinstaande idem palen, van het auditorium van het museum en kijkt aan tegen vilten wandbespanning die er als een uitvergrote saaie Ploeg-stof uitziet. Er staan grijs gestoffeerde banken, donkerbruine ongemakkelijke stoelen en tafeltjes met nephouten bladen op een vaalgroene linoleumvloer. Alleen in de kantine van de KB in Brussel is het ongezelliger, maar die heeft zijn originele jaren '60 interieur gaaf bewaard, terwijl dit product door Rem Koolhaas in 1992 is afgescheiden.

Ik heb daar ruim vijf minuten op de bediening en bijna een kwartier op m'n cappucino en peren-notentaart zitten wachten. En het was niet eens druk, negen mensen (inclusief ik) aan vijf tafeltjes en er liepen één bardame en één serveerster rond, dus hoe het zo lang heeft kunnen duren… De taart was overgens een gewoon, bepaald niet fors uitgevallen punt cake met verdwaalde stukjes peer en wat geknars van walnoten (3 euro); hij was flauw en niet lekker. De koffie (2 euro) was redelijk, maar warm was anders.

In de Kunsthal kom ik al sinds de opening. Het is een verwarrend gebouw, waar ik nog steeds regelmatig de weg kwijt raak, maar er zweven me wel nog steeds onvergetelijke exposities voor de ogen en in de herinnering. Tot nu toe waren mijn bezoeken dikwijls vol verrassingen en kwam ik er heel vaak geheel opgeladen vandaan. Deze keer niet.

Ik had uit de aankondiging begrepen dat er een tentoonstelling over 17e eeuws interieurschilderijen te zien was. Nee dus. Waarschijnlijk heb ik het verkeerd gelezen, want wat er hing was wat men in de gouden eeuw in Nederland zoal aan de wand had hangen. Het was niet erg aan mij besteed, want laten we wel wezen: niet iedere 17e eeuwse schilder was een Rembrandt, Vermeer of Hals. Op een enkele uitzondering na was het in mijn ogen van bedroevend lage kwaliteit, hoewel technisch dikwijls best goed geschilderd. Maar wat een prijzen er voor die minne kwasterijtjes tegenwoordig worden gevraagd is belachelijk. Ik zou ze niet eens cadeau willen krijgen.

Aan de beide foto-expo's ben in een flink tempo voorbij gelopen: niets viel me op en en niets bleef hangen. De grote benedenzaal met de Anatolische presentatie was op drie tenten en een 'yoert' na geheel met tapijten, 'kelims', behangen. Kleurrijk, vormrijk, dat wel, maar het leek toch meer op een tapijtenwinkel dan een tentoonstelling. De tenten waren wel leuk en in één ervan kon je op een kussen zittend naar de tv kijken. Een duitssprekende jonge Turk uit Istanbul vertelde op de buis over zijn techniek om westerse (in dit geval Nederlandse) dames tapijtjes aan te smeren. Dat ging heel ver. Hij masseerde er één van mijn leeftijd (grijze golf) tot onder haar blouse. Tamelijk genant dus en wat het met Anatolië te maken had is me een raadsel gebleven. Tenzij de tapijtjes van die jongen natuurlijk daar vandaan kwamen…

Waar ik nog het langst bleef hangen was bij de affiches van Jan Bons (90), maar dat was eigenlijke meer uit jeugdsentiment. In mijn academietijd (1964-68) zetten we ons af af tegen ontwerpers als hij, met zijn knip-, scheur- en plakwerkjes. Wij waren de Zwitserse school toegedaan en raakten op den duur beïnvloed door de New Yorkers en zagen helemaal niets in het gefröbel als dat van Bons. Het deed me nog steeds niks, maar het zette wel een treffend tijdsbeeld neer van het kneuterige Nederland van de jaren '50 en '60. Ik ben blij dat we dat tenminste achter ons gelaten hebben.

Historische dus interessant, die affiches, maar bepaald niet inspirered. Komt dat omdat Van Krimpen weg is? Enigszins teleurgesteld ben ik vertrokken en heb voor het eerst van m'n leven, hoewel ik er jaren bijna dagelijks langs kwam, in het Wester Paviljoen aan de kruising Nieuwe Binnenweg-Mathenesserlaan de lunch gebruikt. Beetje flauw.

Het was geen erg geslaagd dagje Rotterdam deze keer.

18.3.2008


5 "Middeneeuwsche toestanden". Pierre Cuypers in het NAI.

 

 

 

 

 


70 % grijze golvers tussen de ezels en vitrines op de Cuypers tentoonstelling. Let op de wandteksten uiterst rechtsboven; zeer vermakelijk.
Foto Kees Spruijt 2007



Ik ging de tentoonstelling in het Nederlands Architectuur Instituut (NAI) in Rotterdam over de neo-gotische architect Pierre Cuypers (1827-1921) door de achterdeur binnen. Dat merkte ik overigens pas toen ik er uren later aan de voordeur weer uitging. Het eerste dat opviel was de achterwand waar, op doeken, mooi vormgegeven teksten te zien waren. Ik heb daar een tijdje grijnzend en voluit lachend doorgebracht, tot verbazing van de andere, traditioneel, grijze golvers-bezoekers. Het grootste deel van die teksten bestond uit kritiek op Cuypers' werk en die was bepaald niet mis. Daar vielen de verdedigingen door Victor de Stuers bij in het niet. Ik liep dus eigenlijk direct tegen het feit aan dat de man in zijn tijd door de niet-katholieke elite helemaal niet zo werd gewaardeerd en beschuldigd van een afkeer van de moderne tijd en een vlucht naar de onterecht geïdealiseerde, romantisch geörienteerde maatschappij van de 'Middeneeuwen', zoals ze die tijd toen nog noemden.

Natuurlijk was Cuypers gewoon een man van zijn tijd, die moderne zaken als gietijzer, industrieel gemaakte baksteen en moderne waterleidingen en verwarming in zijn middeleeuws aandoende kerken toepaste. Hij was ook een handig zakenman die zijn eigen PR goed wist te gebruiken om aan opdrachten te komen en die erg goed was in netwerken. Maar hij had wel de nodige, op het RK geloof gebaseerde, idealen. Zijn wens was het oude gildesysteem weer terug te brengen en onder het toeziend oog van patroonheiligen het, volgens hem, door de moderne samenleving en overal aanwezige industrialisatie uitgebannen ambacht een nieuwe impuls te geven. Zelf heeft hij dit ideaal vormgegeven door een atelier op te richten waarin niet alleen bouwers, maar ook inrichters vertegenwoordigd waren als timmerlieden, meubelmakers, schilders en decorateurs, smeden, zowel sier- als edel-, stoffenontwerpers, glazeniers, etc. Eigenlijk was hij de voorloper van wat in Engeland de 'Arts and crafts movement' heet.

Ik kom graag in het NAI. Voor een historicus met de Middeleeuwen als lievelingsperiode mag dat een vreemde bekentenis zijn, maar wat let me om ook moderne of niet zo moderne architectuur leuk te vinden. Ik weet het: middeleeuwse bouwkunst komt er weinig aan de orde, maar het museum compenseert dat door dikwijls zeer verrassende en zeer creatief vormgegeven tentoonstellingen te brengen, die ik niet zo gauw kan vergelijken met zaken die je ergens anders ziet. Ik heb er in al die jaren dat het bestaat veel bijzondere en unieke exposities gezien. Af en toe waren er wel mindere; die over Le Corbusier eerder dit jaar bijvoorbeeld. Lelijk vormgegeven en wat een vervelend soort architectuur en interieurs maakte die man. Maar het NAI liet dan wel weer duidelijk uitkomen wat voor een zelfingenomen megalomaan hij eigenlijk was.

Ik heb zo mijn rituelen als ik geliefde musea bezoek. In het NAI ga ik, zoals bij meer musea, eerst koffie drinken. Met chocoladegebak. Helaas is de wat melancholieke Turk in het zwart vervangen door een dromerig Caraïbisch prinsesje en kun je nu alleen nog chocolade muffins en brownies krijgen in plaats van de heerlijk zondige punten. De koffie is echter onveranderlijk lekker en warm. Dan neem ik de lift naar de tweede etage en zak vandaar, de tijdelijke exposities langsgaand, langzaam af naar de hoofdzaal op niveau -1. Om, zoals deze keer, Cuypers tot me te nemen.

Pierre Cuypers was de man die de neo-gotiek in Nederland introduceerde en tientallen kerken en andere gebouwen in die stijl bouwde. Hij is ook verantwoordelijk voor o.a. het Centraal Station en het Rijksmuseum, beide in Amsterdam. Beide laatste gebouwen zijn overigens meer in neo-renaissance stijl gebouwd; iets waarin hij ook goed was. Neo-gotiek is, zoals het woord al zegt, gebaseerd op de middeleeuwse, gotische bouwkunst (en nog veel meer) en ik beken het maar: ik heb daar wat mee. Als gebouwen zijn ze inmiddels net zo historisch als de echte middeleeuwse en volkomen thuis in de omgeving waar ze staan. Je zou ze echt niet meer wilen missen, al worden er de laatste tijd nogal eens kerken, die in die stijl zijn gebouwd, afgebroken en ben je ze dan ineens kwijt. Wat mij fascineert is eigenlijk hoe de 19e-eeuwer de Middeleeuwen zag en waar hij met die visie de fout inging. En wat dat voor gevolgen had. Tot aan de vormgeving van Hollywoodse middeleeuwen-films toe.

In 1853 kregen de katholieken hun bisdommen weer terug, er kwamen er zelf nog een paar nieuwe bij, en deze emancipatie had een grote vraag naar kerken tot gevolg. Omdat Cuypers al naam had gemaakt met enkele kerkrestauraties in het Limburgse, begon vandaaruit zijn opdrachtenstroom. Gevolgd door Brabant en Holland en zelfs Groningen en Friesland. Wat wel een probleem was dat hij meestal niet zomaar ergens een kerk neer kon zetten. In de Middeleeuwen stond er meestal nog niets op de plaats waar er één moest komen of anders werden er gewoon huizen voor afgebroken. In de 19e eeuw kon dat niet meer, zeker niet in steden. Het gevolg was dat Cuypers veel kerken moest bouwen op te kleine plekken die soms ook nog vreemde vormen hadden. Volgens kunsthistorici was hij een genie in het improviseren op zulke plekken en gebruikte hij allerlei trucs, waaronder vals perspectief of het binnen de kerk brengen van steunberen, om de kerk toch groter te laten lijken dan hij was. Ik heb een heel stel van zijn kerken (en die van zijn collega's) bezocht en vind ze echter altijd benauwd en zelfs rommelig; er is zelden een ruim overzicht of een gevoel van wijdsheid, zoals je dat in echte gotische kerken kunt hebben. Er klopt dikwijls ook niet veel van de verhoudingen in zijn religieuze bouwwerken, iets waar de middeleeuwers zich juist wel aan hielden als het enigszins kon.
In de jaren '50-'70 gebruikte hij als voorbeeld vooral Franse gotiek, later werd hij meer geïnspireerd door de Maas- en Schelde gotiek, Nederlandser dus. Het vervelende hiervan is echter dat hij die zaken een beetje door elkaar gooide. Zo zie je bij hem torens in de vormgeving van Chartres (12-13e eeuw) naast een kerkschip uit de 14e eeuw en ramen met laatgotische 15e eeuwse tracering. Eclectisch noemt men dat in de kunsthistorie en men doet zijn best al die stijlen te benoemen. Voor iemand als ik, die daar helemaal kriebelig van wordt, is het echter een hele opgave in zo'n kerk rond te lopen. Ik vind het dikwijls een zooitje. En dat wordt nog versterkt door de slappe Victoriaans-middeleeuwse geschilderde decoratie in weke kleuren en de grote hoeveelheden in de donkere boenwas gezetten meubels als kerkbanken, preekstoel en biechtstoelen. Dat is in ieder geval niet hoe middeleeuwse kerken eruit zagen.

En dat van die scheefgetrokken proporties klopt. Thuis heb ik de plattegronden van Cuypers kerken uit de catalogus vergeleken met die van diverse echte gotische kerken en kathedralen, en ja hoor. Normaal zijn de breedtes van gotische kerken, zijbeuk-schip-zijbeuk in de verhouding 1 : 2 : 1. En dan gemeten tussen de zuilen die hun eigen breedte hebben en waar de ruimte onder de bogen een eigen inbreng heeft (dat moet je zien en ervaren: uitleggen is moeilijk). Bij Cuypers kloppen die verhoudingen, behalve in enkele vroege dorpskerken, zo goed als nooit. Dikwijls zijn de middenschepen te smal, en hebben ze brede zijbeuken die op hun beurt krap worden gemaakt door de binnen-steunberen. Door de vreemde oppervlakten waarop ze staan zijn de kerken soms te kort of te breed en lijken ze, ondanks de perspectivische trucs, nogal bedompt van inhoud. Ze zien er ook van buiten bijna altijd te hoog uit voor hun breedte; een rechtopstaande pijpenla bijna. Ik kreeg op deze tentoonstelling (en uit de catalogus die ik direct heb aangeschaft: mooi, met een paar vreemde artikelen en veel, soms te kleine plaatjes) dus de bevestiging van wat ik altijd al heb gevoeld.

Intussen was die grote zaal van het NAI in drieën gedeeld en van boven afgeschermd door kaasdoek, waardoor de belichting wat getemperd werd. In de eerste ruimte (dus eigenlijk de laatste!) stonden de tekeningen en plattegronden van al die gebouwen op blankhouten ezels achter plexiglas. Het zag er rommelig uit. De tweede ruimte was gereserveerd voor meubels (o.a. kerkbanken) en liturgische spullen en ander kerkelijk huisraad, waaronder typerende schilderijen van enkele van de kruisstaties. Ook daarbij heb ik lopen grinniken: of je een Hollywoodse film-still zag, alleen dan met 19e eeuwse gezichten. Het laatste en kleinste stuk was aan de meester zelf gewijd en had het jaar 1877 als uitgangspunt, toen Cuypers welgeteld 68 opdrachten had lopen. Zijn invloeden, schetsen, foto's, ontwerpen, wat meubels en ander bezittingen, waren daar te zien, o.a. een middeleeuws beschilderde en versierde stand-up piano die hij voor zijn echtgenote had gemaakt. Als ze erop speelde (ze was zeer muzikaal en een bekende zangeres in haar tijd) keek ze aan tegen een plaat van de heilige Cecilia die met een zwaard om het leven gebracht gaat worden en een piepklein relikwietje van diezelfde heilige achter een schijfje glas recht voor haar neus. Je moet er maar lol in hebben, maar ik vond het een beetje onsmakelijk.

En toen was het uit. Veel gezien, lang rondgelopen (meer dan 2 uur, en dat is zeldzaam voor mij) en veel gelachten. Ook wat opgestoken en, zoals gezegd, een paar zaken bevestigd gekregen. Ik was niet onder de indruk van de inrichting, het stond er eigenlijk te vol en oogde rommelig. Er was geen lucht tussen de verschillende aspecten van Cuypers, maar juist een beetje dompend werkende afscheidingen. Eigenlijk kwam ik er vandaan met een gevoel van: het is me nu echt duidelijk geworden waarom ik niet van neo-gotiek houd. Hetgeen niet wil zeggen dat ik nu wil dat al die zooi maar afgebroken moet worden: helemaal niet. We moeten echt laten zien dat er een tijd is geweest dat men dat gedoe mooi vond en dat sommige mensen zich er nu nog steeds goed in thuisvoelen. En hoewel het door de Middeleeuwen geïnspireerde beweging is geweest, men noemde het rond 1870 echt "Middeneeuwsche toestanden", is het echt geen middeleeuwse maar trypisch 19e eeuwse kunst die je ziet. Als een instituut als het NAI, dat ik hogelijk waardeer, mij dat allemaal kan leren, dan ben ik daar heel dankbaar voor.

18.11.2007


4 Teylers en het 'museumgevoel'

Ik was nog nooit in het Teylers Museum geweest. Zeker nu ik colleges over de historie van musea volg moet je zoiets toch wel een keer inhalen. Dus heb ik dat gedaan.

Tja...

Wat moet ik ervan zeggen? Mooie oude gebouwen en mooi vormgegeven nieuwe vleugels, die niks met het oude gebouw te maken hebben. Met veel glas en licht dus en dat viel op tijdens een zonnige lentedag. De ovalen zaal is indrukwekkend: veel krakend blank eiken en vitrines, maar je mag niet die gallerij op. Jammer. Hij staat stikvol oude wetenschappelijke instrumenten en in de middenvitrine liggen veel brokken geologisch materiaal. Verder 19e eeuwse zalen, in elkaar overlopend in een recht lijn zoals het hoorde in die eeuw, een enfilade heb ik geleerd. Een beetje shabby, met handgeschreven kaartjes bij de fossielen, gipsafgietsels van de schedels van onze oudste rechtop lopende voorvaderen en allerlei gesteenten. Nu weet ik ook meteen waarom ik er niet eerder geweest ben: ik snap dat allemaal niet en ik weet er niks van, dus ik zie er niets aan. Het is gewoon niet aan me besteed. Ik zie wel allemaal grijze golvers die in groepjes van twee een afdruk van een of andere saurus bewonderen of die een enorm stuk hafledelsteen staan te bespreken, maar ik loop er voorbij. Ik let op de afbladderende vensterbaken, de doorbuigende gietijzeren vloerroosters, de stukken mozaiekvloer die gerepareerd worden en de oude suppoosten die niet uitstralen van: ha, ik sta in Teylers. Maar ik kan er niks mee en ik loop door.

Ik kreeg dan ook het 'museumgevoel'. Kent u dat? Je wordt eerst van dat slenteren erg moe, je voeten gaan pijn doen, je gaat geeuwen en de tranen springen in je ogen. Je wilt weg. Gelukkig kwamen er dan nog een paar zalen met 19e eeuwse schilderijen van allerlei bekende en minder bekende schilders. Je denkt: oh ja, daar is het echt begonnen de uitbuiting van het 17e eeuwse schilderij die terechtkwam in de 'boven de bank kunst' winkels en kruissteekpatronen: die landschapjes met koeien, die stormen op zee, die sneeuwlandschappen met ondergaande zon, die nep stadsgezichten en die historiescenes van mensen in 17e eeuwse dracht in interieur. Ik vind stadsgezichten leuk en interieurs kunnen me ook bekoren (er was ook nog een tekeningenzaal in Teylers met interieurs van de 16e (één stuks) tot en met de vroege 20e eeuw) en goede portretten kunnen me zelfs inspireren, maar het meeste was toch wel erg zoetsappig.

Er stond nog iemand zo'n groot dramatisch landschap na te schideren ook. Ik vroeg nog: doet u dit nou voor uw beroep? Dat bleek niet zo, maar dat had ik, eerlijk gezegd, ook al gezien. Later hoorde ik nog een paar van mijn leeftijdgenotes tegen hem zeggen: leuk, als je zo creatief kan zijn, hè? Naschilderen creatief? Leerzaam, als je de techniek bestudeerd hebt en toepast, maar vernieuwend is anders. Ach, als je maar lol hebt.

Er was een speciale expo over bloemen- en plantenschilderen, ter gelegenheid van het 200-jarige jubileum van Linnaeus' geboorte. Nou ben ik in mijn jeugd, ik zal een jaar of tien-twaalf geweest zijn, eens met mijn ouders en zus naar een bloemenstillevenstentoonstelling (hoeveel punten is dat bij Scrabble?) in het Dordrechts Museum geweest. Voor m'n leven verpest, dus. Volgens mij heb ik toen ook voor het eerst het museumgevoel meegemaakt. Ik kan geen levensecht gepenseeld vliegje op een tulpenblad meer zien! Er waren gelukkig niet veel vliegjes, maar des te meer bloemen, blaadjes, stelen, doorsneden en openleggingen. Ik heb daar niks mee, maar de diverse dames van zekere leeftijd des te meer. Het klonk of ze alles in hun eigen tuin hadden staan en ze waren luid en duidelijk te verstaan. Ook aan het andere eind van de toch niet kleine zaal.

Ik heb van het toilet gebruik gemaakt, maar had geen puf meer om in het geheel glazen restaurant, of was het nu een cafetaria, te gaan zitten. Ik ben weg gegaan.

Twee kleine schilderijtjes bleven me bij. Op de ene een man en op de andere een vrouw, Biedermeiertijd, die je indringend aanstaren, alsof ze iets van je willen. Prachtig, helder en gedetailleerd geschilderd in frisse kleuren. Onvergetelijk. Ze zitten nog steeds op m'n netvlies. Ene Corbet heeft ze geschapen, dacht ik, maar ik kan niks over de man vinden. Heb ik de naam verkeerd onthouden?

19.4.2007




3 Boijmans in aardewerk en barmhartigheid

Steengoedkan uit Aken, puntneus met doedelzak, 1575-1525 (uit Rotterdam Papers VI (Rotterdam 1986) 193

Ik kom al minstens 45 jaar in museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en heb er zo'n beetje alle veranderingen in de opvattingen over het exposeren van kunst en nijverheid van dichtbij meegemaakt. Ik kom er graag; het musuem heeft een heel speciale sfeer. En dat geldt ook voor de latere uitbreidingen. Het komt ook door zijn ligging. Vroeger keek het restaurant al uit over de tuin, eigenlijk meer een park, en dat doet het nu nog. Maar dan enkele tientallen meters naar rechts, vanuit het paviljoen uit 1991. Ik was er op de dag dat we hier in Nederland winter hadden, met sneeuw. Mensen, wat een schoonheid! Ik heb er bijna een uur zitten genieten onder het gebruiken van een paar (veel te dure) broodjes.

Dat was een bonus. Maar ik werd ook helemaal lyrisch over de nieuwe opstelling van het aardewerk in de kelder van datzelfde paviljoen. Nou heb ik natuurlijk een tik, met mijn liefde voor eenvoudig gebruiksaardewerk door de eeuwen heen, maar dit museum komt daar dan wel heel erg aan tegemoet. Als mensen willen weten hoe middeleeuwers en latere voorouders in hun huisraad zaten, stuur ik ze altijd naar Rotterdam, want daar hebben ze er al sinds de bouw van het paviljoen echt werk van gemaakt. En nu is het wel heel erg mooi neergezet in de vitrines. Ik heb geen idee hoe dit soort exposities overkomt op de gemiddelde museumbezoeker. Misschien is het inderdaad wel meer een studiecollectie (en dat schijnt niet meer te kunnen als ik de museumdeskundigen moet geloven), maar wat een feest van kleur en vorm. En hoe fris geëxposeerd. Ga dat echt maar eens zien...

En als je dan toch in Boijmans bent, loop dan even door naar de collectie oude kunst, waar een hele serie uitlenen van het Rijksmuseum te zien is. Zo zag je ze in Amsterdam nooit. Ik heb een hele tijd doorgebracht in het zaaltje waar de Zeven Werken van Barmhartigheid van de Meester van Alkmaar uit ca 1504 hangt. In het Rijksmuseum was je altijd omgeven door horden toeristen die op weg waren naar de Nachtwacht, maar hier kon je, goed uitgelicht en in alle rust, alles perfect in je opnemen. Ik heb speciaal de kleding, zoals die in Nederland rond 1500 gedragen werd, tot in detail bekeken. Heerlijk. Dat het zo rustig was kwam natuurlijk ook door het weeralarm, dat veel mensen thuis hield, maar voor mij was het een perfecte gelegenheid om op m'n gemak te genieten.

In het volgende zaaltje hangt trouwens een stel prachtige portretten door mensen als Maerten van Heemskerck en Jan van Scorel en nog wat werk van Lucas van Leyden, die voor mij op één lijn staan met Hans Holbein. Wat een schilders, wat een prachtige portretten, hoe mooi is de kleding uitgebeeld! En er hangt en staat ook nog het nodige middeleeuws werk.

Als klap op de vuurpijl kon ik in de winkel nog een exemplaar van Rotterdam Papers VI uit 1986 aanschaffen. Ik heb jaren gedacht dat dat werk al lang uitverkocht was, maar ze hadden er nog een stel gevonden bij de uitgever en in het kader van de nieuwe aardewerk opstelling in de winkel gezet. In dit deel uit de zeer belangrijke serie Rotterdam Papers, over middeleeuwse archeologie, wordt namelijk het grootste deel van de aardewerkcollectie van H.J.E. van Beuningen en zijn vrouw M. de Vriese beschreven. Dat was dus voor die collectie in 1990 aan het museum, dat gedeeltelijk naar de oom van deze aardewerkverzamelaar is genoemd, werd geschonken en in het naar beide schenkers genoemde paviljoen terecht kwam. U begrijpt: mijn dag kon niet meer stuk. Bijna al die schotels, potten en kannen had ik in de expositie gezien en ik kon er thuis dus nog eens van genieten.

Kortom: een heerlijk middagje gehad. En daar deden de saaie, donkere stillevens van Willem Kalf en de stinkende en pretentieuze opstelling moderne kunst op de begane grond van de nieuwe vleugel niets aan af. Dus: op naar Rotterdam als je wat moois wilt zien.

1.3.2007




2 RMO: Geheimzinnige Kelten kijken
Of willen we gewoon een lekkere rijke vent?

Mensen hebben, ook ingegeven door de wens de lieve vrede te bewaren, de neiging niet al te kritisch te zijn op wat autoriteiten hen voorzetten. En met autoriteiten bedoel ik dan de media, waaronder Hollywood, bekende Nederlanders, de onderwijzer of leraar, de dokter en de dominee/pastoor, de minister, de volksvertegenwoordiger en de wetenschapper. Één van de eerste dingen die ik echter tijdens mijn studie geschiedenis leerde was dat een historicus per definitie kritisch is, maar dat dit je sociaal leven niet bepaald zou vergemakkelijken. We zouden er niet populairder op feestjes mee worden en in de disco zouden we er ook niet ver mee komen. Dat klopte. Lezers van mijn diverse rubrieken hebben me er de afgelopen jaren alleen maar chagrijniger op zien worden. Helaas. Ik kan het niet helpen. Maar aan de andere kant houdt het je wel scherp en verruimt het je blik. En dat vind ik het afzien op feestjes en in disco's wel waard.

Kijk nu eens naar zo'n tentoonstelling als Het geheim van de Kelten in het RMO. Het zal niemand de laatste jaren ontgaan zijn dat Kelten 'in' zijn. Persoonlijk juig ik de toename van Ierse pubs al jaren toe, ik ben al van jongsaf zeer gecharmeerd van Ierse en Schotse volksmuziek en ik heb met veel genoegen enkele vakanties doorgebracht in wat men 'Keltische' gebieden noemt: Schotland, Wales en Bretagne. Dat laatste gebied, Bretagne, was echter tegelijkertijd er de oorzaak van dat mijn ogen voor de moderne Keltofilie open gingen. Deze Franse provincie is zeer ingesteld op het toerisme (veel meer dan Schotland en Wales) en deed er toen, en misschien nu nog wel, alles aan om de bezoeker van het Keltische verleden te overtuigen. Zo bezochten wij, omdat we aan de rand ervan kampeerden, het bosgebied Broceliande. In de vroege jaren '90 stikte het er al van verwijzingen naar Arthuriaanse legendes en kon je er ondermeer de graven van Merlijn en Morgaine bezoeken, een feeënmeer bekijken, en een Vallée sans Retour (die liep dood...) bewandelen en diverse andere gedenkwaardigheden tegenkomen. Wat onderzoek in de aangeschafte brochures bracht echter aan het licht dat deze attracties pas uit het eind van de 19e eeuw dateren (en nog later) en bedoeld waren om toeristen naar deze arme streek te trekken. Er wordt door de regionale VVV's nog steeds dankbaar gebruik van gemaakt. Ik ben er nog steeds niet achter of het gebied voor die tijd ook al Broceliande heette, maar het zou me, eerlijk gezegd, verwonderen.

Hebben landen als Ierland en Schotland en streken als Wales en Bretagne gewoon goede PR mensen in dienst (gehad)? Iedereen associeert hen immers met 'Keltische producten'? Whiskey, harpen, tartans, shamrocks, heather, elfjes en kabouters, koning Arthur en zijn ridders, doedelzakken en opwindende dansen zijn evenzoveel voorbeelden van de Keltische cultuur. Het zijn tevens evenzovele 'merken' geworden. En tegenwoordig komen daar ook nog de meisjes met zwartgeverfd haar en oogleden, dromerige blikken en lange flodderjurken (zie foto) en mannen met kale, half blauw geverfde koppen en een grote dorst bij. Tenminste, dat zegt en toont de inleiding van de Keltententoonstelling in een van mijn vaste museumstekkies, het RMO in Leiden. Ook zijn tijdens een bezoek steeds weer, gelukkig korte, fragmenten van Keltische muziek te horen. Het viel me eigenlijk tegen dat je in het RMO geen Guinness of Murphy's Red kunt krijgen, maar dat zou misschien te ver gaan.

Is het museum een autoriteit? Ik denk het wel. Zo'n tentoonstelling als in het RMO, eerder te zien in Venlo, is natuurlijk niet door de eerste de beste verzonnen, dat zullen toch wel wetenschappers geweest zijn. Ook zo'n vormgeving, die is vast door geroutineerde en vakkundige specialisten gemaakt: aan elkaar vastgeschroefde rondhout constructies rondom de vitrines en ... tja, wat zijn het eigenlijk? Ruim drie meter hoge spoken van witte lakens en een papieren muts met iets dat op een zwart gemaakt gezicht lijkt? Of is het uitgelopen ogenschaduw en zijn het elfengeesten? Als zo'n papieren muts trouwens afvalt en het witte laken over zijn constructie afzakt (hetgeen bij mijn bezoek bij één van die dingen het geval was) blijft er een beetje zielig hoopje stof over; een soort geimpoviseerde kinder-tipi. Ik kwam er dus niet uit. Misschien een mengsel van primitieve ijzertijd houttechnieken (maar dan met roestvrij stalen bouten) en de geesten der druïden?

Deskundige expositiemakers kunnen in de Nederlandse musea perfect uitgebalanceerde, uitgelichte, gekleurde en beletterde uitstallingen neerzetten. Daar schort het niet aan; het is er goed en esthetisch verantwoord toeven. Maar de inhoudelijke informatie, zowel uitgaande van de stukken als de teksten was in Leiden (en Venlo?) nogal minimaal. Het is dat er ook een paar poppen in Keltische klederdracht stonden, zodat je van een paar zaken kon zien hoe ze gedragen werden, maar anders werd je nog niet veel wijzer van hoe de Kelten echt leefden. En wie waren die Kelten dan wel? Dat werd ook niet echt duidelijk, maar ik begrijp dat de geleerden er zelf eveneens nog niet uit zijn (zie Archeologie Magazine 5 (2006) 6-11 en 6 (2006) 18). Misschien stond het in het boek, maar dat heb ik niet gekocht; een tentoonstelling moet voor mij ook zonder boek voldoende informatie geven.

Ikzelf zag allerlei ijzertijd spullen liggen, met opmerkelijk veel bronzen emmers, sieraden en wapens er tussendoor, met zeer korte en nogal nietszeggende uitleg erbij. Die soms ook nog behoorlijk de fout inging. Je zou bijvoorbeeld de indruk kunnen krijgen dat zo'n emmer, gevuld met wijn (er kan wel 24 liter of meer in!), de ronde deed tijdens zo'n typisch Keltisch drinkgelag en dat men daaruit dronk. In een andere vitrine stond echter een prachtige, eveneens bronzen, tuitkan om te schenken en ergens anders lag nog zo'n mooi bol bronzen zeefje, dat voor het scheppen van wijn, met droes, gebruikt werd (stond erbij!). Net als de Grieken verdunden de Kelten (ik krijg de neiging er aanhalingstekens omheen te gaan zetten) wijn met water en die 'emmers' dienden dus als mengvat, net als bij de Grieken en diverse andere pre-historische beschavingen. En waren die oudste invallers in het Griekse gebied niet een soort proto-kelten, waarvan de Thraciers en Macedoniers nog resten bewaarden evenals de Myceners die net als de Kelten met strijdwagens reden? Maar ik dwaal af...

Die poppen. Mooi gemaakt, dat wel, en de kleding is netjes met de hand genaaid (voor zover zichtbaar) en afgewerkt en de spullen kloppen wat uiterlijke vorm ook best. Maar ik let natuurlijk op de details. Vooropgesteld moet worden dat er niets (of in ieder geval zo goed als niets) van Keltische kleding bewaard is gebleven en dat bronnen zeggen dat Kelten in ruiten rondliepen, of in ieder geval in veelkleurige kleding. Mijn vraag is dan of de hier getoonde ruitstofjes waarschijnlijk zijn; ik kreeg associaties met ouderwetse matrasovertrekken of auto-plaids. En zou de 'vorst' van Oss (het had m'n broer kunnen zijn, inclusief het buikje) niet een geheel met bont gevoerde mantel kunnen bekostigen in plaats van alleen dat zielige randje? En had hij niet beter een mooie wollen tuniek aan moeten hebben in plaats van dit linnen exemplaar dat ook nog eens blauw geverfd was. Voor niet-kenners: voor de introductie van onze moderne chemische verfstoffen was linnen zeer moeilijk te kleuren. De verfstof wede zou in theorie die kleur blauw hebben kunnen opleveren, maar het is de vraag of dat ruim 500 jaar voor Christus ook bij linnen het geval geweest zou zijn.

Sommige onderdelen van kleding zijn echter wel bewaard gebleven, onder andere de schoenen. Die lagen er in een vitrine en vertoonden het bekende rijgprincipe, de bij re-enacters zo bekende ijzertijdsandaal zoals die in HOME (Eindhoven) al jaren gedragen wordt. De poppen hadden ze ook aan, maar bij hen was het leer wel 5-6 mm dik terwijl de echte, krimp meegenomen, toch leer bevatten dat niet dikker dan 2 mm was. Die discrepantie was dus te voorkomen geweest. En ik heb grote twijfels aan de gedraaide mouw in het hemd van de boer met de schop, evenals aan het split in diezelfde mouw, maar ik kan dat bij gebrek aan bewaard gebleven hemden natuurlijk nooit hard maken. Ik moet trouwens kwijt dat ik geen aanmerkingen op de kleding en verdere uitrusting van de vrouw had: mooie stof, goede kleuren, correct in elkaar gezette peplosjurk (over Grieken gesproken!), mooie muts, gordel, sieraden en spintolletje. Alleen was ze nog niet aan weven toe, zoals op het bordje stond; ze zat nog te spinnen.

Wat was er voor de kids te doen? Bij mijn bezoek waren er niet veel; vooral de grijze golvers overheersten weer. Maar dat het veel was, nou nee, hoewel dat wel in de publiciteit en op foto's gesuggereerd werd (zie hiernaast).

Met een zwaard zwaaiend van een rots springen? Nah! Je kon op de foto met mijn broer uit Oss waarbij je een plastic helmpje met horens op en wat lappen om kon doen, je kon Keltische 'tattoos' stempelen, je kon een aantal misdaden (!) oplossen in een vragenspelletje waar je te weinig informatie kreeg (schedel 2 met het ronde gat {van en speer, maar het had de grootte van een pijlgat} erin bleek van een offer in de Maas te zijn omdat daar ook wapens en ander spul lagen; waarom kon hij niet in wapenrusting na of tijdens een gevecht in de Maas zijn gevallen?) en je kon op een stuk papier uit een papieren-handdoekenrol wensen schrijven en die in de wensboom hangen, net als ze deden in de boom op het 'graf van Merlijn' in Broceliande. Dat was het leukste onderdeel van de tentoonstelling. Kinderen bleken heel basale wensen te hebben: "...een lang en gelukkig leven met een man, kinderen, geld, huis en een paard", "...dat er meer dieren zijn", "...dat Dirks slaapstoornissen opgelost worden" of gewoon: "...een lekkere rijke vent".

Interactief dus: stempelen, op de foto gaan, multiple choice vragen beantwoorden op een computer en met een viltstift een wens op een papieren handdoekje schrijven en het resultaat aan een tak knopen. Maar niet leren waar die grote bronzen emmers voor dienden, hoe dan die strijdwagen eruit zag, waarom ze hun zwaarden oprolden (maar misschien weten de geleerden dat ook niet) en waarom ze ruitjesbroeken droegen. Ik vraag me echt af of de heren en dames wetenschappers wel eens nadenken over het effect van hun tentoonstellingen. Of de bezoeker er iets wijzer van wordt, of een 'kid' hier wat opsteekt, of de collega's hier nieuwe gezichtspunten op kunnen doen. Wat ik zie is dat bezoekers braaf in de ruimte rondlopen en de opschriften lezen, dat ze gezellig op de foto gaan (en niet alleen kids) en hun bril dan niet afzetten (zo'n plastic helm met een bril eronder is hillarisch), en hem vervolgens, met wat moeite, als e-card naar de familie mailen, en dat vaders (zelden moeders) met zoons en dochters netjes de antwoorden op het scherm aantikken. En schoolklassen die zo snel mogelijk hun vragenlijsten invullen: wie het eerste klaar is. Men staat erbij, loopt erlangs en men kijkt ernaar. Ik weet het niet. Is dit de methode? Omdat alle musea dat zo doen? Moeten we echt geloven en pikken wat de autoriteiten in de musea ons voorzetten? Ik twijfel.

De tentoonstelling is er nog tot 13 mei.

10.1.2007



1 Catharijneconvent vernieuwd

 

 

 


Ik weet niet hoe het komt maar ik heb een zwak voor het Catharijneconvent. Ligt het aan de collectie? Ligt het aan de gebouwen? Ligt het aan de sfeer? Wie zal het zeggen, maar ik kom er graag. Vooral op herfstige dagen, als je er via de oude Utrechtse straten en grachten, omgeven door vallende bladeren en een druilerig motregentje, naar toe kunt lopen vanaf het station en de Utrechts kooptraverse. De sjieke grachten-entree is al een aantal jaren verplaatst: je moet nu door een gang naar een binnenplaats daarachter. Vandaar kom je in een hoge, supermoderne glazen serre waarin kassa, restaurant en winkel gevestigd zijn. Het was toen al even wennen, maar de koffie en het chocoladegebak zijn altijd goed (hoewel niet goedkoop; diverse studenten en scholieren knappen op die prijzen af) en het personeel is onveranderd vriendelijk.
Nu is het museum net weer geopend na een zeer noodzakelijke, grote verbouwing. Ik ben er ook tijdens de verbouwing een paar keer geweest, louter voor de sfeer (dus dat is toch misschien de aantrekkingskracht?). De kleine exposities over de middeleeuwse heiligenbeelden (zeer de moeite waard) en die over de kruistochten (minder) bleken toch te trekken. Bij de laatste hebben we tijdens de museumnacht van vorig jaar nog een Tempelierskampementje door onze goede vrienden IG Wolf in de kloosterhof neer kunnen zetten; zeer verrassend voor het publiek.
Dat het grootste deel van het museum in de basis het 15e eeuwse klooster van de Carmelieten in Utrecht beslaat is altijd al een groot aantrekkingspunt voor me geweest (dus misschien toch die gebouwen?). De gangen, kamers en vooral de refter en zijn bovenzaal zijn prima expositieruimten voor het type collectie van het museum; kerkelijke zaken, waaronder veel kerkelijke kunst. En die expositieruimten zijn er door de verbouwing alleen maar beter en mooier door geworden. Ik denk dat een compliment aan de architecten, aannemers en inrichters op z'n plaats is; het ziet er allemaal prima verzorgd uit. Goed belicht, kleurig, afwisselend, interessewekkend. De gangen zijn misschien een beetje nauw voor de vitrinekasten die er middenin staan, maar dat maakt het wel intiem, zeker als je er op een niet te drukke dag bent en jongeren en grijze golvers er gezellig door elkaar heen roezemoezen.

Ik kom eigenlijk zelden alleen voor de tentoonstellingen in het Catharijneconvent. Ik proef daar wel aan, en dan probeer ik me open te stellen om geraakt te worden door bepaalde stukken en voorwerpen, maar ik loop er net zo goed binnen om een paar ouwe getrouwen op te zoeken. Vooral de middeleeuwse stukken verdienen mijn aandacht. Ik ga altijd even in de 'schatkamer' naar de exquise hoogmiddeleeuwse edelsmeedwerken kijken en neem dan een paar oude, vroegmiddeleeuwse albes en kazuifels mee. Ik zeg het grafbeeld van de middeleeuwse edelman met het rad op zijn schild even gedag. Ik kijk even naar de kleding op een paar 16e eeuwse aanbiddingsschilderijtjes of heiligenportretjes en lach even om de ernstige tronies van de Jeruzalemvaarders. En ik kijk en luister naar de bezoekers (maar dat doe ik in elk museum).
Sommige van die dingen kon ik deze keer ook doen. Ik ben even bij de Feest-tentoonstelling geweest, maar vond dat te veel voor kinderen bedoeld met zijn felle kleurtjes, lichtjes, monitoren en knopjes. Ik heb daar niet veel van meegenomen behalve dat er een paar leeftijdgenoten liepen waarvan er één alle opschriften hardop aan de ander voorlas. Ik kan daar niet goed tegen en vlucht dan graag snel weg.
De andere exposities, die over edelsmid Jan Noyons (de bedachtzame karakteristiek van zijn zoon over deze kunstenaar beviel me het meest), het rondje Christendom (veel ouwe bekenden), Bijbelse vrouwen (te veel schijnheilige koppies) en de middeleeuwse meesterwerken (weer veel ouwe bekenden) en pracht en praal in de kelder (het is er wel erg donker; paar keer bijna m'n kop gestoten en dat gebeurde inderdaad bij andere bezoekers), heb ik nogal snel doorlopen. Ik had wel graag de fototentoonstelling De God van Nederland gezien, maar die was net weg.
Wat viel tegen? De stenen ridder was weg en er hingen geen vroegmiddeleeuwse liturgische gewaden meer. Jammer. Ik miste ze. Ik vond wel dat er erg veel neo-gotische kitsch te zien was, maar dat is misschien mijn eigen hangup. Voor mij heeft die 'kunst' stijl wel erg veel verpest in Nederland. Ik wordt verder een beetje erg kriegel van die slechtgeschilderde contra-reformatorische kunst uit de late 16e en de 17e eeuw, maar ook dat is persoonlijk. Ik heb ook geen geduld om lang te blijven stilstaan bij een serie gefilmde vrouwen die alle op de zelfde manier gezeten een overhemd op hun schoot opvouwen. Heel symbolisch allemaal, maar niet aan mij besteed. Ook collega grijze golvers kwamen giechelend uit het zijkametje met de mooie houten zoldering.

Komisch intermezzo: in het zaaltje met de getijdenboekjes (of is het getijdeboekjes?) kwamen een paar suppoosten binnen die klappen en schoppen uitdeelden tegen een vitrinekast met de mimiek of ze een auto keurden op gebreken. Op mijn vraag of er kosten aan waren konden ze me geen weerwoord bieden. Gelachen.

Wat de snoepjes in het museum waren? Het prachtige houten beeld van Franciscus dat me in de beeldententoonstelling al opgevallen was en waarvan ik nu eindelijk de methode voor het knopen van de touwgordel van de Minderbroeders heb geleerd. Het stond wel erg hoog tegen de wand. Het portret van Luther tegen die intens azuurblauwe achtergond: prachtig! De nonnenhabijt als voorbeeld van hoe die kleding er nu echt uitzag; genoten van de fijnheid van afwerking. In complete tegenstelling: de harige pij van Aziz. Bijna een provocatie, maar toch leuk. En dan nog dat fragment van een psalm op hele noten in de kapel in het 19e eeuwse huis, als onderdeel van Feest!. De rillingen liepen over mijn rug. Ook het korte gesprekje met een paar studenten die het komische van een 16e eeuwse martelscene inzagen, was een opstekertje.

Ik ben er niet lang gebleven, nog geen twee uur, maar toch heb ik me weer goed vermaakt. De minpuntjes vielen in het niet tegen de nieuwe inrichting, die weliswaar veel doet denken aan de oude, maar die veel helderder, minder 'pluche-en-eikenhout-in-de-was-en-dikke-sigaren' Rooms is. Kortom: het was een bevredigend maar kort bezoekje dat weinig negatieve gevoelens achterliet. Een goed begin voor een museumrecensies-reeks, dacht ik. Ik ga geen cijfers geven voor musea en exposities, maar voor mij mag het Catharijneconvent blijven. I'll be back. Ook voor het, weer prima, chocoladegebakje.

19.11.2006


Terug naar boven