|
Alle recensies zijn copyrighted
Henk 't Jong/tScapreel/2009 en geschreven toestemming is vereist
voor het publiceren of overnemen ervan.
|
1
Ridders voor kinderen verklaard Je loopt wel het gevaar dat je de leerling te veel naar de mond gaat praten of op je knieën gaat. Wat ziet de jonge, adolescente Nederlander graag? GTST? Big Brother? Quizzen? Leest zij de Tina, de Yes of Bouquet-reeks romannetjes? Is er dus gedacht: laten we ons dan tot dat peil verlagen en een makkelijk behapbaar proza produceren, zodat ze de wat moeilijker verteerbare kost vanzelf mee naar binnen krijgen? Zo lees ik het tenminste. Op pagina 84 stapt hertog Jan van Brabant, "bulderend van het lachen (je ziet een slechte Nederlanse acteur uit bijvoorbeeld Floris voor je)", een kring van rond een vuur zittende ridders binnen en zegt:"Moet je nou eens horen wat Willem van Pembroke overkomen is. Hij heeft zo'n ferme (!) klap op zijn helm gekregen dat hij het ding niet meer van zijn kop af kreeg. De smid is anderhalf uur bezig geweest om hem te bevrijden. En al die tijd lag Willem met zijn kop op het aambeeld! Woest dat hij was! Niet vanwege die helm hoor, maar omdat we hem met z'n allen zo hebben uitgelachen, met een heerlijke kroes wijn in de hand. En dat terwijl die arme duivel verging van de dorst!" Eat your heart out, Jacob van Lennep, zou ik zeggen. Er is niet veel veranderd sinds 1830. Het is ook, trouwens, alsof je corpsstudenten bij een ontgroening hoort. Natuurlijk is het lichten van een citaat uit zijn context niet eerlijk, maar voor mij zet zo'n alinea wel de toon van het boek. De echte historische informatie is best in orde, op wat schoonheidsfoutjes na, maar de geromantiseerde zes perioden zijn dikwijls stuitend in hun 'soete suyckerbollen' stijl. Achtereenvolgens worden behandeld de eerste kruistocht (1099), de ridderslag van Richard Leeuwenhart (1173), de dood van hertog Jan van Brabant op een toernooi in Bar-le-Duc (1294), het beleg van kasteel Valkenburg (1327), de slag bij Crecy (1346) en een Pas d'Armes van Jacques de Lalaing (1449-50). In die hoofdstukken worden op z'n 'romans' de gedachten en dialogen van de hoofdpersonen weergegeven. Richard Leeuwenhart heeft zo heel wat gedachten over zijn mede-ridders, waaronder zijn broers, en de koning van Frankrijk die hem tot ridder zal slaan en uit die gedachten moeten we leren hoe de politieke situatie er in die tijd bij lag. Een nogal opzichtig literair trucje, en ook tamelijk naïef, dat ik niet erg kan waarderen. Dacht Richard dat echt allemaal? Vond hij dat echt van zijn collega's en heren? Hoe weet de schrijver dat dan? Uit Richards dagboek? Ik vind het riskant historische personen dergelijke dingen in de mond of gedachten te leggen. En dat gebeurt in vier van de zes hoofdstukken, naast Leeuwenhart, met respectievelijk Jan I en Jan III, hertogen van Brabant, en met Jacques de Lalaing. Het kan nog erger. In het eerste
hoofdstuk worden twee Vlaamse tweelingbroers, Litold en Gilbert,
ten tonele gevoerd, die enkele pagina's in hun doen en laten
en gedachten worden gevolgd, om dan plots te worden geveld tijdens
de aanval op Jeruzalem, waarna een derde Vlaming, Gwijde, nog
nauwelijks geintroduceerd, het verhaal overneemt en ook Godfried
van Bouillon nog even hoofdpersoon is. Nou mag je van mij gerust
tegen de regels van de roman ingaan (voor zover die er zijn),
maar als je op zo'n warrige manier een verhaal vertelt, verlies
je mij als geïnteresseerd lezer en, vrees ik in deze, ook
de Nederlandse puber. Trouwens als je dit hoofdstuk 'De wieg
van het ridderschap" noemt, verlies je ook je geloofwaardigheid,
want in 1100 bestond het fenomeen al een paar eeuwen. Al in de
late merovingische tijd komen te paard vechtende specialisten
voor, die door hun heren worden onderhouden. Trouwens, wat is
HET ridderschap? Van Dale zegt: het ridder zijn, de staat
(of), de waardigheid van ridder. Dat slaat dus op het beroep,
een duur uitgeruste en goed getrainde gewapende ruiter. DE ridderschap
slaat op de groep, de stand of de status van die groep, hetgeen
iets anders is. De ridderschap als stand is een uitvinding van
de 12e eeuw, het beroep bestond dus al vier eeuwen ervoor (als
je de bij de laat-Romeinse legers horende 'miles' niet meerekent,
tenminste). Zo zijn er in afbeeldingen die hij maakt van het toernooi waar Richard Leeuwenhart in 1173 (p. 58 en omslag) aan meedoet, ook 15e eeuwse 'salade' helmen en barbuta's te zien. Kastelen en tenten zijn dikwijls te laat voor de periode en de ongedekte zware tafels van het banket (p. 71) en het enorme zware bed op p. 167 zijn weer veel te vroeg en te primitief. En zo kan ik nog wel een paar bladzijden doorgaan. Zelf vind ik deze tekeningen het zwakste element van dit boek, maar ik kan niet zeggen dat dit werk als geheel een betrouwbare indruk maakt. En, zoals eerder gezegd, ik vind de schrijfstijl en -techniek belabberd. Voor mij: een dikke min! Henk 't Jong 18.10.2001
Ik vind het echter vervelend dat in het hele boek niet duidelijk wordt dat het verhaal waarop dit boek drijft - de van Karel de Grote verkregen Friese Vrijheid, vanwege het de paus te hulp komen door een Friezenleger onder de 'Harlingse' hoofdeling Magnus Fortema - niet meer is dan een legende, dat de rechtbrief van die beroemde Vrijheid, het zogenaamde Karelsprivilege, een vervalsing is uit de 13e eeuw en dat, daaruit voortkomend, de 'relieken' (sinds wanneer worden trouwens de resten en gebruiksvoorwerpen van een niet heilig verklaard persoon zo genoemd?) dus net zo goed vervalsingen zijn. Nu weten we inmiddels wel dat kloosters en kerken er geen been in zagen om relieken te vervalsen om zo een bedevaart op gang te brengen ter meerdere eer en glorie, maar vooral voor de inkomsten, van hun kerk en ter verrijking van zichzelf. Ook het feit dat de 'relieken' door een monnik van Aduard een paar jaar voor 1398, wanneer het boek speelt, waren verstopt en dat hij, om ze te kunnen laten vinden, zelf een soort puzzelgedicht had gemaakt, geeft al aan dat hier een nogal 'spin-doctor'achtig spelletje werd gespeeld. De hele reden waarom dit gebeurde is nogal erg onwaarschijnlijk: misplaatste hang naar vrede tot elke prijs en daardoor het plegen van verraad aan de eigen zaak door een als beminnelijk bekend staande abt. Ik geloofde er niets van, maar misschien de jonge lezers wel. De vervalsingen hadden in voor- en/of nawoord best uitgelegd mogen worden, nu was het weer alsof die vermaledijde Hollanders de Friezen hun zwaar bevochten en 'zelf van de keizer gekregen' Vrijheid onterecht betwistten. De waarheid is anders, maar of de Friezen (en Groningers) dat ooit zullen toegeven.... Deze rubriek, de tScapreel Boekrecensies, is ook opgezet om het gebrek aan kennis over het dagelijks leven in de Middeleeuwen bij journalisten, schrijvers en illustrators te belichten. Ook hier is het weer raak. De beide auteurs, Martine Letterie en Bernardine Beenackers-Heeren, hebben in veel gevallen de klok horen luiden, maar weten van de plaats waar de klokketoren staat, waar de klokken zich bevinden en over de ophanging van de klepel veel minder. Zelfs over de bij de toren horende kerk in de Middeleeuwen worden nogal wat fouten gemaakt. Zo wordt de kerk in het klooster van Aduard consequent 'kathedraal' genoemd, terwijl dat toch echt de hoofdkerk van een bisdom is, oftewel in 1400 de dom van Utrecht, als het over het grootste deel van het toenmalige Nederland gaat. De lesbrief, vooral, bevat veel onwaars. Bijvoorbeeld over kleding: tegen 1400 waren 'tunieken' voor mannen echt geen jurken meer, droegen ze geen maillots en losse kragen, maar zeker wel onderbroeken. Meisjes droegen geen (losse) rokken en kapjes maar jurken, 'rocken' en 'keursen' genaamd, en hadden 'hovetcleden' om: linnen doeken die kunstig gevouwen, gedrapeerd en gespeld werden. Een bijschrift meldt: "Helaas zullen we nooit weten hoe de kleding er precies uitzag, want bijna alle kledingstukken zijn vergaan." Hierbij wordt wel vergeten dat ze, zeker als het om 1400 gaat, voldoende zeer realistische afbeeldingen hebben van de diverse kleding en is er ook het nodige bewaard gebleven aan kleding om bijvoorbeeld de snit en de pasvorm te kunnen reconstrueren. En daarom ook weten we dat een kaproen er niet zo uitzag als die waarvan het patroon op pagna 5 van de lesbrief wordt gegeven. Natuurlijk worden ook de bekende clichees over de smerige Middeleeuwen in boek en lesbrief weer van stal gehaald: het water was smerig, tegen vlooien etc. was niets te doen, middeleeuwse huizen vlogen zo in de fik, 'secreten' hingen boven open water, etc. Maar ook: de fakkel was een lichtbron, je kunt met een tondeldoos een kaars aansteken (NOT!!!), boeren betaalden huizenhoge pacht en heraldische kleuren hebben een symbolische betekenis. Ook zou het schip van een kerk zo heten omdat het op een omgekeerd schip lijkt. Ik denk dat als een schip met sporen en haanhouten gebouwd zou worden het snel uit elkaar zou vallen, de constructie is zo verschillend dat ze niet eens op elkaar lijken, maar niemand die de moeite neemt dat nu eens voor eens en altijd uit de wereld te helpen. Bij deze dan.
Kortom: als het gaat om het via het boek en de lesbrief geven van een inzicht in het dagelijkse leven rond 1400 in de Ommelanden is daar nogal wat op af te dingen. Als het gaat om een idee krijgen van de politieke en kerkelijke situatie in die tijd, kan het duidelijker. Als het gaat om het schrijven van een geloofwaardig verhaal heb ik mijn twijfels. Dat betekent dat ondanks dat het boek aardige leesstof is en de lesbrief kleurrijk en informatief is, de gemiddelde leerling er nu niet direct een betrouwbaar beeld van die periode van de Middeleeuwen van krijgt. En dat het fabeltje van de Friese Vrijheid, zonder tegengas te krijgen, weer een generatie wordt voortgezet. Henk 't Jong 13.12 .2001
Het verhaal is eenvoudig. Catharine, bijgenaamd Vogeltje (Birdy), de 14-jarige dochter van een niet al te rijke ridder, is rijp om uitgehuwlijkt te worden, maar wil niet. Ze is een heftige, uitgesproken tiener die aan al die bedisselende familieleden een hekel heeft, vooral aan haar vader en haar macho-broers, en die veel liever haar eigen gang gaat met de niet zo aan de vormen vastzittende dorpelingen of het personeel. Ze schopt op typisch puberale manier tegen de conventies en het dame moeten worden aan en probeert op allerlei manieren onder de plichten vandaan te komen. Op humoristische manier weet ze de aanbidders weg te krijgen en haar familie te manipuleren, al kost het haar slaag, en straffen als zonder eten naar bed en opsluiting op haar kamer. Op den duur komt ze natuurlijk tot inkeer, sterft de voor haar bestemde oude, lelijke en stinkende Woeste Baard net op tijd en kan ze met diens, wel zich wassende, zoon trouwen. We weten dit allemaal omdat Vogeltje op verzoek van haar broer Edward, die monnik is en haar schrijven heeft geleerd (je vraagt je af wanneer, want monniken mochten in principe de abdij niet uit en ook geen bezoek ontvangen), een dagboek bijhoudt op perkament van haar vader. Natuurlijk is het bijzonder ongewoon dat een tiener, zelfs uit die kringen, dat doet in 1290, maar het geeft de schrijfster gelegenheid om levendig uit te weiden over Catharine's gedachten, plannen, ervaringen, vragen, streken en conclusies. Is het gek dat het meisje verrassend modern overkomt met haar hekel aan handwerken, machogedrag, mishandeling en het doden van onschuldige beesten en vogels (nog een wonder dat ze geen vegetariër is!) en haar liefde voor jongensspelletjes, jonge dieren en vogels en gewoon vrij zijn... Het lijkt wel een exponent van de 'girl-power'! Ergens schrijft ze letterlijk in haar dagboek: "Ik vraag me af wanneer de dag zal komen waarop meisjes mogen dansen en dollen." Ik bedoel maar... De schrijfster zegt in haar nawoord enkele behartenswaardige dingen over het leven in 1290, o.a. over het leven met de seizoenen, de invloed van de kerk en de behoefte om de eentonigheid van het bestaan te doorbreken met plezier maken en veel eten en drinken. Ze vraagt zich ook af of we de middeleeuwer voldoende kunnen begrijpen om er boeken over te schrijven en lezen. Zelf denkt ze dat we ons wel kunnen vereenzelvigen met de eigenschapen die we met hen gemeen hebben: "het verlangen naar een volle maag, het vermogen voor (!) angst en vreugde, de liefde voor kinderen, het genieten van de blauwe hemel of een paar mooie ogen". De rest komt, volgens haar, uit onze fantasie voort. Ja maar, dat is het nou net!
Fantasie is allemaal wel leuk en aardig, maar het moet wel ergens
op gebaseerd zijn, liefst op gedegen historisch onderzoek. Het
gevaar is levensgroot aanwezig dat zulke boeken gewone hedendaagse
meisjesromans met een ander decor worden en dat decor ook nog
eens geïnspireerd door slechte films. Zo worden clichees
toch weer voortgezet en vooroordelen bevestigd. Ik moet dan ook
zeggen dat het boek wel een beetje veel naar een moderne 'tiener-ontdekt-zichzelf'
roman neigt en dat de authentiek middeleeuwse elementen er een
beetje aan het nekvel bijgesleept zijn. En als het over het dagelijks
leven gaat, is ook dit boek niet vlekkeloos. Er worden namelijk
nogal wat vreemde dingen beweerd of anachronistische toestanden
opgevoerd (zie verderop). Andere voorbeelden waar een verkeerde of misleidiende vertaling wordt gebezigd zijn (o.a.): heer Wandeleer voor de 'king' of 'lord of Misrule', die traditioneel met Kerstmis wordt gekozen. Een 'wandelere' is in eerste instantie een reiziger, soms een pelgrim, bij associatie een dolende ridder of speelman en de naam wordt ook aan zwervers of vagebonden gegeven. De heer van Wanorde was een betere benaming geweest. Er zijn in de vertalingen nog wel meer verwarrende uitdrukkingen ontstaan, zoals 'krijger' voor 'warrior' (?), een "achterste zo groot als een molenbeek" = molensteen? of de de verkeerde vertaling van 'crustade' (Fr. "croustade'), een pasteigebak van korstdeeg (zie 'crust') met vleesvulling, met custardpudding of wat wij vla noemen. En dan valt ook het woord 'rijtuigen', een vorm van koets die in de Middeleeuwen nog niet bestond; zelfs de duurste aristocratische wagen was niet meer dan een opgetuigde kar. Dat brengt me bij de anachronismen
uit 1290: Ergens krijgt Vogeltje (ook Kleine Vogel genoemd, hetgeen ik een irritante vertaling vind) een hoofdtooi van groene 'tule', maar die stof is post-middeleeuws. Het is een open vitrage-achtig weefsel dat door de zogenaamde 'bobinettechniek', uitgevonden in Tulle, een stad in Frankrijk, pas kon worden vervaardigd. Het is natuurlijk de vraag of de gemiddelde jonge lezer daar een boodschap aan zal hebben. Waarschijnlijk niet. Het boek leest prettig en snel en dergelijke fouten storen echt niet in het verhaal, dat, zoals gezegd, afwisselend en onderhoudend is. Tot slot nog enkele 'practische'
fouten. Blijf ik nog met een paar vragen zitten: wat zijn jollemannen? (vertaling van 'boatmen', 'watermen'?) en wat is het 'Donderleger'? Henk 't Jong 30.1.2002
Het boek is in België uitgekomen in het kader van de herdenking van het feit dat de beroemde Guldensporenslag uit 1302 nu 700 jaar geleden heeft plaats gevonden. In heel Vlaanderen (en daar wordt ook Nederlands sprekend Antwerpen, Brabant en Limburg mee bedoeld) worden onder de noemer 'Anno '02' dit jaar diverse culturele en historische manifestaties gehouden die soms veel, soms weinig met die gebeurtenis bij Kortrijk op 11 juli 1302 te maken hebben. Men wilde dat kinderen op een speelse manier wat achtergrond informatie over de tijd waarin dit gebeuren plaatsvond kregen. Waarom dan de hele 14e eeuw gepakt zou je zeggen, terwijl 1302 eerder een uitloper van de 13e eeuwse situatie was en terwijl er in de 98 jaar erna nog wel het nodige zou veranderen. Was er minder over de 13e dan de 14e eeuw te vinden? Werkt men vast vooruit voor eventuele toekomstige herdenkingen (daar heb ik nog wel een paar suggesties voor...)? Wat dat ook zij: het is geen slecht boek. De gekozen thema's om het leven van alledag uit te leggen zijn wel bekend: grenzen (over de diverse gebieden in de Lage Landen), stadskinderen, boerenjongens, naar bed en aan tafel, op reis, informatiebronnen en -stromen, rang en stand, kindertijd, talenkennis, ziek of gezond, hygiëne en kledij en geloof. Twaalf overdachte en dicht tegen de belevingswereld van de hedendaagse jeugd aanliggende onderwerpen. Ze worden vlot, begrijpelijk (met veel moderne uitdrukkingen doorspekt) en met humor behandeld en dat is een verademing na al die sensationalistische of schoolmeesterachtige schoolliteratuur van de laatste tijd. Maar het is wel een beetje beknopt allemaal. En dan toch ontstaan er fouten. Of komen de zich gemakkelijk in het geheugen nestelende clichees weer om de hoek (zie lijstje aan het eind van deze recensie). Enkele voorbeelden: spreekwoorden worden er met de haren bij gesleept (aan lager wal raken, terwijl het hier over hoge verdedigingswallen gaat, p. 10, met een schone lei beginnen p. 32, terwijl hier wastafeltjes worden beschreven; iets heel anders), elkaar tegensprekende beweringen vindt men op een dezelfde pagina (kadavers, bloed en rottende vis op straat, terwijl er regels tegen verontreiniging zijn, p. 11) of met een paar pagina's tussenruimte (varkens op straat, p.10, en varkens die schade aanrichten in een bos p. 14: dus dat doen ze niet tussen huizen, tuinen en mensen?), bepaalde termen worden te ruim gebruikt (de werkende bevolking van een stad is opgedeeld in beroepen en die in gildes, terwijls dat zeker niet overal en met alle beroepen het geval was, p. 12), terwijl andere juist weer te krap worden bemeten (er was dan wel geen apart toilet binnen gewone huizen (p. 17), maar wel op het erf!), situaties uit het buitenland worden naar Vlaanderen overgeplaatst (de verwoesting van een deel van het Franse platteland in de 100-jarige oorlog, bijvoorbeeld, p. 14) en zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Kwalijker zijn gewoon foute beweringen. Zo wordt er gezegd (p. 16) dat er in de gevels van eenvoudige houten huizen een ijzeren hengsel steekt, waaraan ze met een haak omver getrokken kunnen worden als er brand is. Ik weet niet of de schrijfster wel eens een middeleeuws houten huis van dichtbij gezien heeft, maar dat trek je niet zo eenvoudig met een brandhaak omver, hoor. Dat zat goed en stevig in elkaar. Of groenten die niet als voedingsmiddelen worden beschouwd (p. 19), maar die dienen als aanvulling voor soepen en stamppotten (!). Wat waren ze daarin dan wel? Iets voor de kleur, smaak of de reuk, maar vooral niet voor maagvullng? Hier is de schrijfster waarschijnlijk in verwarring geraakt door de humorenleer die niet veel voedingswaarde aan groenten toekent, omdat de meesten 'koud' en 'vochtig' zijn. Maar ook die zijn voor die mensen die dat nodig hebben wel weer nuttig. Het zal de gewone middeleeuwer trouwens worst zijn geweest of groenten zo werden beschouwd door de geleerde fysikers, want zij waren maar wat blij met hun ajuinen, look, prei, erwten, paardebonen, kool, sla, knollen en pastinaken, etc, etc. als het vlees weer eens te duur of op was. Het standenverhaal op p. 28 klopt ook niet. Hier gaan schrijfster en illustrator trouwens tegen elkaar in, want terwijl de eerste zegt dat de adel op de bovenste verdieping van een pyramide van drie verdiepingen huist, beeldt de tweede daar een biddende geestelijke af. Hier heeft echter de verwarring tussen de standenleer en de leenpyramide toegeslagen. De standenleer zegt dat er drie orden zijn: zij die bidden, zij die vechten en zij die werken en wel in die volgorde van belangrijkheid. De leenpyramide gaat van boven naar beneden van koning, via adel, ridders (waarbij ook de hoge geestelijken worden ingedeeld als grote landbezitters), naar boeren en burgers. Kortom een verwarrend stukje voorlichting voor de jeugd, die hier weinig van zal kunnen maken. Ook over het hoofdstuk over kleding (p. 40-43), een notoir zwak punt in dergelijke populaire boeken (maar dat kunnen de schrijvers meestal ook niet helpen: er is gewoon weinig zinnigs over geschreven), kan veel gezegd worden, want het meeste wat hierin wordt beweerd is of niet op de 14e eeuw van toepassing, of gaat niet voor gewone mensen op of is gewoon onwaar. Namen voor de kledingstukken zijn waarschijnlijk aangepast aan de kennis van de kinderen, maar het was niet moeilijk geweest om voor die namen een korte verklaring te geven. Ik heb de ruimte niet om die fouten punt voor punt te behandelen, dus een ervan mag als voorbeeld dienen. Schoenen, bijvoorbeeld, waarvan wordt gezegd dat ze uit één zacht stuk leer gemaakt zijn en geen harde zool hebben. Ik zou graag de schrijfster willen verwijzen naar de diverse archeologen in binnen- en buitenland die inmiddels duizenden 14e eeuwse schoenen hebben opgegraven die ten minste uit twee, meestal uit drie en dikwijls uit veel meer stukken bestaan, die een dikkere leren zool en een dunner bovenblad hebben en die geen halve meter lang zijn met punt vol mos.
Want het is waar: er staat het nodige aan waarheid in. Het jammere vind ik echter dat die informatie, doordat voor die hele eeuw is gekozen, zo versnipperd is. Hoe krijg je een eeuw in 40 pagina's? Dat gaat niet. Je moet je dan zo beperken dat er geen ruimte voor nuances overblijft. Beter was geweest om als periode voor ca 1300 te kiezen en als regio Vlaanderen en dan een rijk gevulde miniatuur te schilderen, dan zo'n breed palet te willen gebruiken en een enorme wandschildering op een te klein oppervlak kwijt te moeten. Nog wat opmerkingen: Henk 't Jong
19.4.2002 Clicheelijstje voor: Leven
in de 14de eeuw.
Het boek is verkrijgbaar voor
11,20, exclusief verzendingskosten, bij Anno '02, telefoon
0032 70 22 50 02, fax 0032 70 22 50 01, of via de website: www.anno-02.be/
en het is te koop op Anno '02 activiteiten (programma ook op
de website).
Het Stein van Walraven is geen alledaags rechttoe-rechtaan verhaal, maar een mengsel van SF/Fantasy (een moderne jongen die terugreist in de tijd), een tamelijk conventioneel 'middeleeuws' avontuur met een jonge held die door zijn bekendheid met moderne wetenschap en snel reageren de mensen van toen te hulp komt en een educatief boek. Het verhaal wil namelijk ook nog een historisch en archeologisch probleem oplossen. In 1992 zijn bij opgravingen, waar de schrijfster zelf aan mee heeft gedaan, de resten van een vroeger huis dan het kasteel Ravenstein in het gelijknamige stadje aan de Maas gevonden, die op een lange zaalachtige woning op de latere voorburcht wijzen. Een gedeelte van die woning, met de fundamenten van een dubbele haard, is bewaard gebleven in de 'Kasteelsepoort', een nog bestaand huis op de plaats van de in 1818 afgebroken burchtpoort. Het zou hier gaan om het eerste kasteel van Ravenstein (dat toen nog niet zo heette), misschien gebouwd vroeg in de 14e eeuw door vrouwe Maria van Herpen. Mevrouw Bullinga wil tegelijkertijd het probleem van wanneer het kasteel van Walraven van Valkenburg, heer van Herpen (1345), Asperen (ca1348-49), Born en Sittard (1356), gebouwd is oplossen en probeert de datum 1355 in plaats van het, volgens haar, door de wetenschap geponeerde jaartal 1360 (in mijn encyclopedie staat ca 1350) erdoor te krijgen. Volgens haar werd er al in 1355 tol geheven vanaf een eiland in de rivier (daar stond, ook volgens haar, blijkbaar een houten tolhuis) en dat zou inhouden dat er vanaf die tijd ook een kasteel moest zijn en dat er dus in 1355 al aan gebouwd werd. De vraag is natuurlijk waarom dan die Lange Zaal niet alszodanig gezien wordt; je bouwt toch niet zomaar een groot gebouw als het niet al deel uitmaakt van een verdedigbare positie en het wordt notabene het 'eerste kasteel' genoemd? Als die 'zaal' er al vanaf ca 1320 stond (en misschien was hij al wel ouder: daarvoor was het gebied al een Cuijks leen) was er niets in de weg om vroeger met tol heffen te beginnen en van de opbrengst een nieuw en groter kasteel te gaan bouwen. Wat mij het meest tegenvalt is dat de schrijfster nogal gemakkelijk doet over dit zelfde tol heffen door een leenman en het overlopen van die zelfde leenman van zijn eigenlijke heer, de hertog van Brabant, naar de vijand, de hertog van Gelre. Tol heffen is een 'regaal' dat aan landsvorsten behoort en niet aan leenmannen, en het in de steek laten van je heer voor een andere heet 'felonie', nog net geen hoogverraad, maar behoorlijk ernstig. Het waren beide vergrijpen waar Walraven van Valkenburg voor op aangesproken en bestraft is, maar Bullinga doet het voorkomen of de hertog jaloers op hem was en hem daarom stiekum in hinderlagen wilde laten lopen. Dat is wel erg kort door de bocht. In die zelfde tijd deed een kleine 50 km stroomafwaarts Dirk Loef van Horne iets dergelijks vanuit zijn net gebouwde sterkte Loevestein en daar is hij door de Hollandse graaf in 1368 flink voor bestraft. Het nogal clicheematig geschreven verhaal heeft verder weinig om het lijf. Arnout van Hardeveld, een gewone scholier uit Niftrik, is een 'divvie' die electrische schokjes krijgt als hij oude dingen aanraakt en die door een oud valkeninsigne, dat hij van de bewoner van de Kasteelsepoort, de oude Copijn, kreeg en een in de opgraving naar de dubbelhaard gevonden spiegeltje in de tijd kan terugreizen, toevallig precies in 1355 belandt en direct al (oh wonder!) heer Walraven en een bediende, Stevijn (een niet erg middeleeuwse naam, evenmin als de naam van de schout, Romco) redt van in een hinderlaag liggende struikrovers. Een romantisch en typisch 'jongensboek' achtig gegeven. Arnout is van huis uit in geschiedenis en archeologie geïnteresseerd en heeft toevallig voor school al het nodige voorwerk voor dit onverwachte bezoek gedaan en kan zijn kennis en die van moderne geneeswijzen en hygiène goed gebruiken in die 'onwetende' Middeleeuwen (ze zouden er geen medicijnen hebben!). Hij wordt dus, zoals te verwachten was, voor een halve wonderdoener aangezien. Alle andere elementen van de in de middeleeuwen spelende roman zijn aanwezig: in goud bestikt fluweel geklede nobele heer en mooie vrouwe, een vileine hertog Eduard, vrolijke dienstknapen, een achterlijke paardenknecht, opvliegerige en aggressieve ridders en schildknapen, smerige boeven en bedelaars, een strenge pastoor (die vreemd genoeg steeds 'kerkmeester' genoemd wordt) en een weesmeisje dat niet kan praten maar dat dat door Arnouts therapie wel snel leert. Ook de standaard middeleeuwen clichees zijn van de partij: botten over de schouder werpen bij de maaltijd, varkens wentelend in de modder op straat (!), overal struikroverij, samenzweringen met vermomming, dorpsbewoners in vodden (maar ze hebben wel goede huizen), bij de kamerdeur op wacht staande soldaten, een vrouwenvertrek dat niet voor mannen toegankelijk is, halve varkens op tafel, karren zijn voor moordenaars en boeven die naar de galg gebracht worden en gewone mensen krijg je daar dus niet in/op, een pispot die op straat leeg gegooid wordt, in het zwart geklede dorps'schepenen' bij een terechtstelling, dikke kaarsen in kandelaars, etc, etc.. Alleen het feit dat middeleeuwse straten niet vol drek lagen en uit modder bestonden wordt in het boek ontkracht: het dorp Ravenstein, dat in 1355 nog lang geen stad(je) was en ook die naam nog niet droeg, had volgens Bullinga al een keienstraat en daarbij ook al een stenen kerkje (!). Dat varken modderde zeker in een achterafstraatje. Ook de met een tafelkleed gedekte schragentafels komen niet aan het gemiddelde, traditionele beeld van de Middeleeuwen tegemoet. Waar de schrijfster echt de mist ingaat is met het beschrijven van de kleding. Als Arnout zijn tijdreis gemaakt heeft blijkt hij gekleed te zijn in kleren "zoals hij die op plaatjes van middeleeuwse jonkers" gezien heeft: een soort maillot, een ruimvallende blouse met pofmouwen, een baret, een gepofte wollen broek, een beursje aan een riem en van zacht leer gemaakte puntschoenen. De boeven dragen een wijde vaak verstelde blouse, een broek van ruwe bruine stof en zware laarzen,. Heer Walraven draagt een met gouddraad bestikte mantel, keurig netjes genaaide laarzen, een broek van kostbaar, zacht materiaal en een baret en vrouwe Aleid (die, oh wonder, op Arnouts moeder lijkt; is dit allemaal een droom?) heeft een mouwloos bovenkleed met een diep decolleté, daaronder een soort jasje waarvan de mouwen afgezet waren met bont en een blauwfluwelen kapje ("ze zag eruit als een sprookjesprinses") en de hertog van Gelre, als laatste, spant de kroon: een fluwelen broek, een prachtige crèmekleurige blouse, afgezet met brocaat (!) en bont, leren laarzen bestkt met gouddraad, een baret waarin een ganzeveer stak (hij had dus zijn pen bij zich?) en die bestikt was met ontelbare kleine edelsteentjes. Als je je dat gaat voorstellen kom je op datgene wat de Nederlandse kostuumverhuurders je voor 'middeleeuws' aansmeren. Mevrouw Bullinga heeft duidelijk geen kaas gegeten van de kleding van rond 1350, die er wel even anders uitzag (zie de uitmonsteringen van onze mensen op de website). Daarnaast blijkt maar al te duidelijk dat ze ook weinig besef heeft van wat het dagelijks leven in het midden van de 14e eeuw inhield: een haard in een verblijfsvertrek moet midden op de dag nog aangestoken worden, terwijl die natuurlijk de hele dag door brandt, een vuur wordt door middel van wrijfhoutjes aangemaakt in plaats van met vuurslag en -steen (is Arnout bij de scouts?), keukenknechten worden koksmaatjes genoemd, het belangrijkste maal van de dag was het noenmaal, vroeg in de middag, maar in het boek wordt het 's avonds gehouden (met een half varken op tafel!), soldaten salueren, men drinkt melk, huisjes zijn gemaakt van met leem en klei (tegelijk?) besmeerde 'wiggen'(?), boeven worden voor dwangarbeid naar de Limburgse mijnen gestuurd, etc. Een van de leuke momenten tijdens het lezen was de scene toen de held en zijn middeleeuwse vriendje 's avonds laat in het huisje van Marie de koeienmeid aankwamen om naar bed te gaan en zij hen als een 21e eeuwse moeke toevoegde: "Weet je wel hoe laat het is!" Kortom, ik ben weer niet onder de indruk. Natuurlijk ben ik geen bovenbouwer en het is inderdaad zo dat er best wel wat te leren valt uit dit boek, maar er staan te veel historisch onverantwoorde beweringen in om dit een echt educatief boek te laten zijn en het verhaal is bepaald zwak en clicheematig te noemen. Eigenlijk valt het me nog het meest tegen van Christofoor, die toch een naam als uitgever van kwaliteitsboeken heeft op te houden. Bij mij was het vanwege de schrijfstijl al niet door de keuring gekomen. En waarom de omslagtekening door deze uitgever (die veel antroposofisch getinte kinderboeken met prachtig illustratiemateriaal uitgebracht heeft) is gekozen of goedgekeurd, is me helemaal een raadsel.
Henk 't Jong 6 De Ommelanden
maken het weer niet waar Vorig jaar was ik niet erg te spreken over inhoud, achtergonden en de overal aanwezige anachronismen. Mijn recensie is door de auteurs gelezen en men was er, zo hoorde ik via via, niet erg gelukkig mee. Waarom niet, is me nooit ter ore gekomen, terwijl ik toch iedere door mij gerecenseerde schrijver de gelegenheid geef me van repliek te dienen. Of zou ik gewoon gelijk gehad hebben en was er gewoon niets tegen mijn recensie in te brengen geweest? Dat moet dan haast wel. Hebben de schrijvers inmiddels iets veranderd aan hun benadering? Niet echt. Al is de vormgeving van beide boeken nu anders van sfeer en inhoud. Maar of het allemaal zoveel beter, en vooral middeleeuwser is... Het boekje (het telt maar 24 bladzijden, het vorige 136, het boek is overigens niet gepagineerd) van Martine Letterie, Ridder in één slag, is eigenlijk meer door de illustrator Rick de Haas gevuld dan door de schrijfster (18 pagina's tekeningen tegenover 6 pagina's tekst). Hij wordt dan ook terecht als co-auteur opgevoerd. De combinatie maakt het daarom meer een prentenboek dan een leesboek. Het verhaaltje is zodoende nogal 'dun' en is eigenlijk een soort parabel over een tweeling, een sprookje bijna, compleet met voorspelling door een oud vrouwtje, een symbolische uitwerking van de karakterverschillen van de twee broers en de apotheose aan het eind waarin elk van de tweeling op zijn plaats terecht komt en de loutering optreedt. Als sprookje heb ik meer van dat soort verhaaltjes gelezen. Ik moet wel zeggen dat de schrijfster wat stijl betreft zeer vooruit is gegaan sinds vorige keer (ik ben dan ook benieuwd naar haar Een valk voor Berend). De aquarels van De Haas zijn mooi helder, vanuit soms leuke hoeken gecomponeerd en ze zijn op een aangename wijze gestileerd. De doelgroep kon ik niet zo uit het boek uithalen, ik schat groep 6 tot 8, want de tekst was soms nogal volwassen (daar heb ik niets op tegen voor deze leeftijd!) en de tekeningen daarbij een beetje te 'kinderachtig'. Maar... ondanks dat, geeft het bepaald geen kloppend beeld van de Ommelanden circa 1400. Kleding, architectuur, meubilair, gebruiksvoorwerpen, ja zelfs dieren zijn volkomen anachronistisch. Zo zag het er dus niet uit in 1400! Als de auteurs meer over details willen weten kunnen ze me dat vragen. Ik neem echter aan dat die details voor de lezertjes er niet echt toe doen. Maar hier raken we wel aan het educatieve aspect van dit project en daar ben ik meer mee begaan. De Stichting Oude Groninger Kerken organiseert de jaarlijkse Fockedag om kinderen kennis te laten maken met de middeleeuwen. Hiertoe nodigen ze ook levende geschiedenisgroepen uit die het leven uit die tijd zo goed mogelijk laten zien. Het beeld en de informatie die het publiek dan krijgt is beduidend anders dan wat kinderen in dit prentenboek kunnen zien en, gedeeltelijk, ook kunnen lezen. Is dat niet contra-productief? Zorg je op die manier niet voor verwarring over de toch al zo door Hollywood beinvloedde kijk op de Middeleeuwen? Ik vraag het maar, doch een antwoord verwacht ik niet echt. Het is te meer urgent omdat het
werkboek Kerken en Steenhuizen van Bernardine Het werkboek met zijn sporadische tekst, zijn kinderachtige kaderspelletjes en nergens op slaande raadseltjes en zijn Hoe word ik ridder in 10 vragen-quiz (te lullig voor woorden) is daarom eveneens meer een prenten- en spelletjesboek dan een lees- en leerboek. Veel van het prentmateriaal is daarbij gemaakt door leerlingen van de kunstacademie Minerva in Groningen en die jongelui hebben duidelijk nog minder kaas gegeten van hoe het er in de Middeleeuwen in de Ommelanden uitzag. Gezien de vormgeving van die kunstwerken zijn ze ook nog lang niet afgestudeerd of kunnen ze gewoon niet tekenen. Ook een aantal van de tekeningen van Rick de Haas komt in het werkboek weer terug en dan valt, in vergelijking, dat gebrek van de studenten des te meer op. Verder zijn een paar ook door de academiestudenten getekende uitknipplaten toegevoegd waarmee je een van een schoenendoos gemaakt steenhuis kunt inrichten of waarmee je een 'ridder' en een hoelahoepend (!) meisje aan kunt kleden (met o.a. een juten jurk). Echt doe het zelf werk dus, maar het ziet er niet uit. Ik was eigenlijk van plan weer inhoudelijke kritiek te geven op schrijfstijl, inhoud en historische betrouwbaarheid van dit werkboek, maar ik begin er niet aan. Ik zou mezelf alleen maar kwaad zitten maken en ik heb wel wat beters te doen. Intussen krijgen Groningse kinderen door beide boeken weer geen goed beeld van hun eigen geschiedenis. Arme kinderen en arme leraren en onderwijzers. Dat belooft weer veel goeds voor de toekomst en het clicheebeeld van de Middeleeuwen. Henk 't Jong 21.10.2002 Martine Letterie en Rick de Haas, Ridder in één slag; Hoe Focke en Eilco worden opgeleid tot ridder, Amsterdam, Leopold, 2002 Bernardine Beenackers-Heeren, Focke en de verborgen schatten uit het Noorden; Kerken en Steenhuizen, Groningen, Stichting Oude Groninger Kerken, 2002 7 De vodden van de Kinderkruistocht
Het boek is al een ouwetje; het dateert uit 1973 en is inmiddels aan zijn zestigste druk toe. Het was en is noch steeds een zeer populair boek. Het kreeg in 1974 de Gouden Griffel en in 1976 de Europese Jeugdboekenprijs voor de beste historische roman. Honderdduizenden kinderen en volwassenen moeten het al gelezen hebben in die dertig jaar. Voor een Nederlands kinderboek is dat heel bijzonder en zeker voor een historisch kinderboek. Het moet dan ook wel iets heel aparts hebben, om zo lang zo populair te blijven. Wat is er zo speciaal aan 'Kruistocht in spijkerbroek'? Een eerdere recencent(e) heeft eens gewezen op het feit dat het over gewone mensen gaat en nu eindelijk eens die kant van het middeleeuwse leven laat zien. Dat scheen toen nogal ongewoon te zijn, maar ik meen toch te weten dat moderne jeugdboeken, en zeker de populairdere, zeer dikwijls over herkenbare, gewone situaties gaan. Ze/hij vergeet daarbij dat in KiS mensen (kinderen) in een wel heel bijzondere situatie beschreven worden: een kinderkruistocht was er toen ook niet elk jaar. Trouwens de tegenstellingen arm en rijk, horig en edel, binnen de kruisvaarders worden flink tegen elkaar uitgespeeld. Zo begaan met het 'gewone' leven is het boek dus niet. Wat een veel belangrijker aspect voor de aantrekkingskracht van in dit boek is, is het feit dat een 15-jarige jongen van nu (nou ja, 1972) in de tijd terugreist (dat is dus het derde boek met dit soort plot dat ik recenseer) en die, omdat hij niet terugkan, dan maar zijn kennis, ervaring, organisatievermogen en en af en toe moderne hulpmiddelen (lucifers, horloge, etc) inzet om de in chaos verkerende Duitse kinderkruistocht van 1212 wat georganiseerder te laten verlopen. Eigenlijk is dit een variatie op het verhaal van Marc Twain, A Connecticut Yankee at the Court of King Arthur (1889), waarin een 19e eeuwse tijdreizende Amerikaan die 'primitieve' middeleeuwers eens wat beschaving bij zal brengen. Voor de niet-ingewijden: dit is een komisch bedoeld, maar bijzonder onaangenaam werk, geheel in de traditie van het met harde hand de Pax Americana of The American Way of Life opleggen. Ook toen al... Toch is het juist dat gegeven - de geschiedenis van nabij gezien door een modern mens - dat zo'n boek zo aantrekkelijk maakt. Hebben we niet allemaal die droom om eens in de tijd terug te reizen en te zien hoe het werkelijk was? Ik wel. Alleen is het natuurlijk niet altijd leuk in het verleden en dat merkt Dolf, de hoofdpersoon in KiS, al heel gauw. Zo'n kinderkruistocht is immers een en al ellende! Ik heb niet de behoefte een al jaren geliefd kinderboek literair te bekritiseren. Ook zal mevrouw Beckman haar onderzoek best grondig gedaan hebben, met de mogelijkheden van de tijd en haar positie. Daar kom ik dus ook niet aan. Er zijn echter geleerden die zeggen dat er nooit een echte Kinderkruistocht is geweest en dat de deelnemers aan de twee bekende voorbeelden uit 1212 eerder jong volwassene, meest arme, mensen geweest zouden zijn. De verwarring hierover schijnt aan een vertalingsfout ontleend te zijn. Kroniekenschrijvers uit wat later tijd (er schijnen geen ooggetuigenverslagen te zijn) hebben beschrijvingen nagelaten van deze tochten, in het latijn. Het woord voor deze afhankelijke, behoeftige mensen, o.a. horigen, was toen 'pueri', een woord dat toen die kronieken later vertaald werden in diverse landstalen als 'kinderen' (wat het in het klassieke latijn ook altijd heeft betekend) werd gelezen. Vandaar dus... Ik leg het boek meer langs de maatlat van het dagelijks leven in 1212 in Duitsland en Italië. En dan zie je weer dat mevrouw Beckman dezelfde fouten maakt als al die andere schrijvers over de middeleeuwen. Ze heeft geen idee hoe mensen toen gekleed gingen, hoe het toeging in de nog kleine steden, wat het verschil tussen monniken en geestelijken was en weet slaven, lijfeigenen en horigen niet uit elkaar te houden. Ook de waarde van het zilvergeld in die tijd is haar onbekend. Op een bepaald moment kan Dolf voor 1 zilveren denarius, oftewel een penning, wel veertig of vijftig broden kopen. Als je dan weet dat je zo'n 70 jaar later voor die ene penning in Nederland twee broden kon kopen, of als je geluk had en de rogge goedkoop was, drie, dan staat dat in geen verhouding. En zo snel ging de economie zelfs in die tijd niet achteruit. De stadsbeschrijvingen bestaan weer uit de bekende clichees. In Rottweil bijvoorbeeld: nauwe kronkelige straten, ambachtslieden op straat onder luifels, smerige, verminkte bedelaars, gildedwang, etc. Natuurlijk wist mevrouw Beckman niet dat het echte, eerste middeleeuwse Rottweil (er zijn ook nog Romeinse en Karolingische stadjes van die naam geweest) tegen 1200 afgebrand was en een kilometer naar het noorden toe weer opnieuw gesticht werd en waarschijnlijk ca 1214 weer stadsrechten werd gegeven. De muren kwamen pas rond 1240. Het zal dus in 1212 nog niet echt een dichtbebouwde stedelijke nederzetting geweest zijn, laat staan met nauwe volle straten en zelfs een aparte straat van juweliers en wapensmeden. Het nieuwe Rottweil had in de 14e eeuw maar 2 elkaar kruisende hoofdstraten en zo'n 22 wat kleinere en smallere, rechte straten en stegen; er is geen kronkel bij. Bij elkaar besloeg het een gebied van niet meer dan ca 400 x 600 meter. Nauwelijks een dorp dus. Het meeste van de bovengenoemde informatie is overigens pas na opgravingen tussen 1971 (!) en 1992 bekend geworden. De schrijfster kan dat niet geweten hebben, maar geeft dus wel een verkeerd beeld van tenminste één locatie. Hier zie je dus hoe gedateerd zelfs grondig onderzoek kan zijn. Zelfs als je ter plekke gaat kijken. Maar er zijn opvallendere fouten. In 1212 wordt door de schrijfster "het snel groeiende Venetië" genoemd. En dat voor een stad die zich sinds de late 9e eeuw (!) als machtige handelsstad profileert, in 1082, met de Gouden Bul in de zak, de grootste en machtigste stad van Italië is en de hele Adriatische Zee en haar kusten beheerst. Pisa en Genua gaan zich pas rond 1015 roeren als ze op de westelijke Middellandse Zee de Saracenen gaan bestrijden en pas aan het eind van de eeuw worden zij, met de eerste kruistocht als aanjager, eveneens belangrijke handelssteden. Ze overvleugelen Venetië dan echter nog lang niet. Die stad kan in 1204 de vierde kruistocht naar Byzantium laten omleiden en de grootste stad van de Christenheid laten innemen en plunderen en met hulp van de doges laten besturen door westerse koningen. Maar zelfs Genua ondergaat de standaard 'middeleeuwisering': "een stad van tegenstellingen: prachtige kerken, vieze herbergen, paleizen en sloppen, pakhuizen en mesthopen, zij aan zij" en nog zo'n 16 regels aan contrasterende grandeur en ellende. En zo worden Pisa, de Lombardische steden en Bari ook beschreven, al is het minder indringend en lang. Natuurlijk kun je tegenwoordig nog net zo'n verhaal op hangen over elke grote stad, dus wat daar zo bijzonder aan was.... De beschrijving van kleding in historische boeken is altijd een heet hangijzer voor mij. Dikwijls hebben de schrijvers een uiterst vaag beeld van middeleeuwse kleding en is dat beeld gebaseerd op meestal te late bronnen. De beschrijvingen die mevrouw Beckman van kostuumonderdelen geeft doen eerder denken aan de 15e eeuw dan aan de vroege 13e eeuw, toen iedereen er wel heel anders uitzag als drie eeuwen later. Daarnaast is haar ook het onderscheid tussen de kleding van rijk en arm niet duidelijk. De armen lopen in haar boek onveranderlijk in vodden en voor de rijken is het kostbaarste niet goed genoeg. In de praktijk van 1212 zal iedereen ongeveer kleding van dezelfde snit aangehad hebben, maar de armen zullen er lichter gekleurd, wat valer, uitgezien hebben dan de rijken, die zich meer kleren van diepere kleur veroorloven konden. Ze waren echter allemaal gemaakt van dezelfde linnen en wol: er is nu eenmaal geen slecht linnen of ondeugdelijke wol en alle stoffen waren door experts in het spinnen, weven en afwerken gemaakt, ook die van de armen, al deden die het meestal voor het grootste deel zelf. Ook arme mensen hadden al vroeg geleerd gelijkmatige draden te spinnen en netjes te weven en deden dat al vele generaties lang. Dat ging tot wel in de prehistorie terug. Zij gingen echter niet zover de wollen lappen tot laken te laten vervilten en scheren, en hem zo dus extra duur te maken, maar hielden het bij stof met een duidelijke weefstructuur. Zij verfden hun wol meestal aan de streng in plaats van op de kostbare manier aan de lap in grote, op dure brandstof kokende ketels. En ze gebruikten dus ook minder baden, zodat hun stofkleuren altijd wat lichter waren dan die van de rijken. Zij hadden zelf smallere weefgetouwen ter beschikking dan de brede industriële getouwen waar soms meer dan 3 wevers aan een lap zaten. Die smalle stoffen zorgden er tegelijk voor dat ze meer met de stof schipperden. In plaats van ruim te kunnen knippen, moesten ze met inzetstukken werken. Er werd zo min mogelijk stof verspild. Het uiterlijk van de kleding was echter voor iedereen hetzelfde, alleen deed een arme langer met zijn rock (de basiskleding voor man en vrouw) dan de rijke en kon de laatste zich meerdere keren per jaar nieuwe kleding veroorloven. Natuurlijk zal kleding die te lang gedragen wordt op den duur voddig worden, maar wol is sterk en gaat lang mee. Zeker als hij goed bijgehouden wordt. En zeker als slijtage en scheuren gerepareerd worden, zoals de middeleeuwer gewend was te doen. Natuurlijk zal een kinderkaravaan geen al te nette aanblik hebben geboden, maar in twee maanden tijd valt je kleding niet zo uit elkaar als op het omslag van KiS wordt gesuggereerd. Twee maanden? Jawel; ze vertrokken eind juni 1212 uit Keulen en kwamen 25 augustus voor Genua aan. Ze moesten ruim 1100 kilometer lopen en als je het op 60 dagen houdt komt dat neer op 18,5 km per dag. Dat is echt te kort om je kleding in vodden te zien veranderen. En het is dus de vraag of die kleding voor ze wegtrokken al in zo'n slechte staat was, gezien de degelijke stof waaruit hij gemaakt was. Schoeisel is ook zo'n onbekend terrein voor schrijvers van historische romans. Twee maanden lopen op middeleeuwse schoenen (ze hebben een tamelijk dunne zool en geen hakken) van rund- of kalfsleer kan die schoenen behoorlijk laten slijten. Boodschappers, die veel reizen te voet aflegden, versleten soms wel 10 paar schoenen per jaar; dat is bijna een paar per maand. Als deze kinderen schoenen hadden zullen met name de stenige bergpaden wel hun tol geëist hebben. Schoenen kunnen echter ook gelapt worden en dat gaat met middeleeuwse schoenen makkelijker dan met moderne. Om echter schoenen te maken van konijnen-, bever-, hazen-, reeën- en hertenleer dat eerst schoon geschraapt wordt en de volgende dag al in elkaar genaaid wordt en aangetrokken, zonder het te looien, is grote onzin. Al deze soorten leer zijn te dun en in ongelooide staat te zwak om het langer dan een dag als zool uit te houden. Trouwens, kinderen die al gewend waren op hun blote voeten te lopen, zullen die alleen maar taaier hebben voelen worden. Die twee maanden lopen zal hen echt niet veel uitgemaakt hebben. Verder is het volgende nogal storend. De tocht wordt vergezeld of geleid door enkele Benedictijner monniken. Zij worden Dom Anselmus en Dom Johannis genoemd. Dom staat voor 'dominus', heer in het latijn. In de middeleeuwen werden priesters, dus gewijde geestelijken die missen mochten opdragen en de sacramenten toepassen, heer genoemd. Niet alle monniken waren echter tot priester gewijd en als de beide monniken zich als zodanig hadden voorgedaan waren ze in zware overtreding geweest. Ze hadden de wraak van de kerk over zich kunnen verwachten. Nergens in het boek doen ze dan ook maar iets liturgisch en dat houdt dus in dat ze gewoon broeders waren, 'fraters', en geen heren en dat ze dus geen Dom genoemd moeten worden. Ik zou nog enkele van deze details kunnen noemen: het spierwitte overkleed van Nicolaas (er was nog geen ALL!), wezen die over straat zwerven (als ze niet door de familie werden opgevangen, deed de kerk dat wel), linnen japonnen (linnen werd voor ondergoed gebruikt), meisjes met sieraden (zeldzaam bij 13e eeuwse kleding en halskettingen kwamen helemaal niet voor), stinkende horigen (men waste zich in de Middeleeuwen echt wel en een horige zal niet veel anders geroken hebben dan een stedeling), spinnen met twee personen, waarvan 1 de draad opwindt (onzin, dat doe je in je eentje), van de wol van vier schapen worden 30 wollen capes gemaakt (een wonder?), een gespannen gehouden boog (dat doe je niet), hellebaarden (dateren pas uit de tweede helft van de 14e eeuw), etc. Maar de recensie is nu al veel te lang. Ik hoop alleen dat de producers (en met name de art-director) dit stuk zullen lezen en niet dezelfde fouten zullen maken als mevrouw Beckman in haar Kruistocht in spijkerbroek. Dan zal het beeld van de Middeleeuwen eens een keer niet geweld aangedaan worden. Ik blijf hopen. Henk 't Jong 8 Zo leefde je dus niet in een kasteel.
Ik antwoord dan meestal: wat over hun eigen voorvaderen bijvoorbeeld? Maar nee. Ze krijgen veel meer te horen over dat o zo kleine deeltje van de maatschappij dat zich ridder noemde; de adel (ik chargeer hier...). En dat zonder enige uitleg over de maatschappelijke positie van dat groepje mensen, hun rol in het leger en de diplomatie en hun steeds wisselende plaats in de samenleving al naar gelang die Middeleeuwen vorderden. Dat is allemaal te moeilijk en te ingewikkeld om uit te leggen. We hebben toch de gezellige clichees over in harnas rondrijdende en vechtende mannen en vaandels bordurende (ik had bijna 'breiende' geschreven...), over de transen uitkijkende 'jonkvrouwen', waar men mooie, met leuke kleurige platen voorziene, prentenboeken van kan maken? En historische instellingen als archieven, musea en kastelen gaan daar gretig op in. Je wordt dood gegooid met de ridderjongens in nylon maliekolder en plastic helmpje en de jonkvrouwenmeisjes met puntmuts en roze prinsessejurk. In elk kasteel in Nederland waar maar een beetje aan publiekstrekken wordt gedaan kun je je kinderen als zodanig laten verkleden en als ze geluk hebben kunnen ze er ook nog 'zwaardvechten', boogschieten en een valk vasthouden. Ook in archeologisch themapark Archeon, waar geen kasteel te zien is en geen adel door archeotolken wordt uitgebeeld, puilt de winkel uit van kartonnen helmen, houten zwaarden en boeken over ridders en kastelen. Ik vond daar ook het piepkleine
(15 x 22 cm) en dunne (20 pagina's waarvan ca 16 beschreven en
van plaatjes voorzien) boekje Leven in een kasteel (Houten/Groningen
2000). De schrijfster is een autoriteit: de directeur van de
Nederlandse Kastelenstichting, Annemieke Kylstra-Wielinga. En
er staan, naast wat foto's, natuurlijk kleurrijke tekeningen
in. Die zijn gemaakt door de bekende Belgische illustrator van
(educatieve) kinderboeken, Hilde van Craen. Je zou dus mogen
verwachten dat hier een team aan het werk is dat eens een andere
aanpak van een dergelijk werkje zou presenteren. De achterkaft
belooft namelijk dat in de serie waartoe dit boekje behoort,
Junior Informatie van de bekende schoolboekenuitgever
Wolters Noordhoff, op een begrijpelijke manier over allerlei
onderwerpen wordt geschreven..."Van Junior Informatie
steek je altijd wat op!" zegt de uitgever. En ze schrijven
dat kinderen er nauwelijks over na hoeven te denken als ze een
spreekbeurt of werkstuk moeten voorbereiden: ze kiezen daarvoor
Junior Informatie. Leer dat uit je hoofd of schrijf het
over, vergroot of scan de plaatjes of knip ze uit en je volgende
project is weer af. Handig, alles bij elkaar in een klein boekje.
Voor iedereen. Dus het gevolg is dat over heel Nederland kinderen
sinds kort allemaal dezelfde werkstukken en spreekbeurten maken...
Waarom is die informatie niet juist? Och. De meeste technische basisinformatie over kastelen als gebouwen klopt wel, maar die wordt wel weer helemaal teniet gedaan door allerlei fouten in de tekst over hoe er dan werkelijk in geleefd werd. En de tekeningen maken dan helemaal een potje van de 'informatie'. Ik telde al weer ruim 40 fouten in de tekst en bij de tekeningen ben ik maar gestopt elk figuurtje op kleding en de ruimten op inrichting af te rekenen, want anders was ik ver boven de 100 gekomen. In zes tekeningen! Vinden kinderen dat erg? Waarschijnlijk niet. Ze zullen het denkelijk niet eens merken en vrolijk de foute informatie verwerken in hun spreekbeurt of werkstuk. Ze kennen dit soort 'feitjes' immers ook al uit hun schoolmethodes (die ze niet mogen overschrijven of verknippen)? Maar heeft een directeur van de NKS niet de plicht kloppende informatie te verstrekken? Of als ze het zelf niet weet, het aan een deskundige te vragen? Ik denk het wel. En moet een illustrator niet weten dat je in 1400 geen puntmuts draagt als edelvrouw of geen hoofdpoort met ophaalbrug in een gewone muur tekent. Op dat laatste vooral had mevrouw Kylstra zeker moeten letten. Maar ja, als de schrijfster al beweert "Sommige (kastelen) zijn nog precies zoals ze vroeger gebouwd zijn", terwijl ze toch zou moeten weten dat geen enkel kasteel in Nederland van voor 1500 meer origineel is, dan ga je je toch wel wat afvragen. Ik weet ook wel dat je in 16 pagina's (eigenlijk maar 10 paginaatjes tekst, exclusief het trefwoordenregister en de bibliografie) niet uitputtend het leven in een kasteel van ca 1400 kunt behandelen. Maar probeer dan ook niet nog eens een verhaaltje over een keukenknecht en zijn vriendinnetje, de dochter van een boer van buiten het kasteel, er tussendoor te vlechten, want daar heb je dan helemaal geen ruimte voor. Of maak het een gezellig geillustreerd romantisch verhaal, waardoor je wat leert over het leven (zoals Philippe Brochard in Ridders en kastelen, Baarn 1994), óf maak een informatief boekje over de aspecten van het leven met een duidelijke uitleg erover en kloppende educatieve plaatjes. Een combinatie van de twee op zo'n klein formaat is gedoemd te mislukken. En als er zoveel fouten instaan, is het nog niet eens informatief ook, ondanks de titel van de serie. Eigenlijk kan ik er, als Middeleeuwen-kenner, niet bij dat mijn lievelingsperiode er in de educatie altijd zo slecht afkomt. Er wordt de grootst mogelijke onzin beweerd en getoond in lesmethodes, leerboeken en educatieve programma's op radio en TV (zie ook andere recensies op deze site). Lezen die schrijvers de laatst verschenen onderzoeksliteratuur op dit gebied niet? Maken de tekenaars geen studie van de uiterlijkheden in de diverse perioden in die 1000 jaar geschiedenis? Je zou haast denken van niet. Het is om moedeloos van te worden. Maar ik laat me niet kisten; ik ga gewoon door met het aan de kaak stellen (eigenlijk betekent dat dus: voor schand zetten) van schrijvers en illustratoren die de Middeleeuwen een slechte naam bezorgen. Henk 't Jong 20.9.2004 22.9.2004 Annemieke Kylstra-Wielinga, Leven in een kasteel (Houten/Groningen 2000), Junior Informatie nr 42. 9 Berend heeft wat met valken
In oktober 2002 schreef ik in deze rubriek dat ik Martine Letterie's boek Een valk voor Berend wel eens zou willen lezen. Onlangs liep ik dit werkje tegen het lijf in de ramsj, samen met zijn opvolger Berend en de aanslag op de hertog. Zoals vaste lezers van deze recensies zullen weten was ik niet onder de indruk van haar verhalen over Focke, de Ommelandse cistercienser novice, en was ik benieuwd hoe ze zich op andere middeleeuwse gebieden zou houden. Tja... Beide boeken gaan over Berend, een 7 of 8-jarig jonkertje uit de inderdaad bestaand hebbende Gelderse familie Van Hackfort, die een overzichtelijk avontuur beleeft waarin ridders, kastelen, jonkvrouwen en boeren gezellig figureren. De plots stellen weinig voor en draaien eigenlijk om Falco, een jonge slechtvalk, waar Berend gek op is. In het eerste boek traint hij de valk stiekem en door zijn 'heldendaad', het voorkomen dat een stel 'roofridders' zijn slag slaat, mag hij hem echt hebben. Hoewel hij er eigenlijk te jong voor is. In het tweede voorkomt hij een aanslag op de gloednieuwe hertog van Gelre door de valk een gevecht te laten verstoren. Beetje zwak plot, dat laatste. Je zou verwachten dat een tot moorden gemotiveerde krijgsman in plaatharnas zich niet uit het lood laat slaan door een langsvliegende jonge valk. Nog zwakker is een feit van andere aard: zo'n jonkertje zou zo'n vogel niet alleen vanwege zijn leeftijd, maar ook vanwege zijn stand niet mogen hebben of gebruiken. De slechtvalk was volgens de laat-middeleeuwse jachtetiquette (o.a. te lezen in 'The Book of St Albans', 1486) voorbehouden aan de hoge adel: graven, grote baronnen, hertogen en prinsen. De Hackforts waren dat nou bepaald niet. Misschien trok men zich in de praktijk niet zoveel aan van dergelijke valkeniersregels, maar toch. Wat moet en kun je verwachten van boeken die voor kinderen van ca 8 jaar geschreven zijn? Spanning? Goeie afloop? Warmte? Klein avontuurtje? Als dat zo is kom je bij de twee genoemde boeken aan je trekken als groep 5-er. Kun je, zoals ik, eigenlijk wel een kritische recensie schrijven over een paar boeken voor 8-jarigen? Dat hangt af van de pretentie waarmee ze geschreven zijn. Deze beide verhalen gaan over een klein jongetje en zijn familie en omgeving in Gelderland in 1480-81. Een roerige tijd, die door middel van het beschrijven van de activiteiten van roofridders (wat zijn dat eigenlijk) en de moeilijkheden om de opvolging van de Gelderse hertog tot leven gewekt wordt. Tenminste, dat is de bedoeling. Berend krijgt ermee te maken, maar het wordt beschreven alsof het toevallig voorbij komt. Alsof hij toevallig, door omstandigheden gedwongen, wat doet dat achterf heldhaftig blijkt te zijn. Is dat het leven voor een 8-jarige? Ik weet het niet. Misschien is het te lang geleden dat ik 8 was. Misschien is dat wat heldendom is: je bent op het juste moment op de juiste plaats en je doet wat moet worden gedaan. Het overkomt je. Meer is het misschien ook niet. Meer moet je misschien ook niet verwachten van dit soort boeken. Maar wat is de pretentie achter
deze verhalen? Hebben ze een educatief tintje? Of een opvoedend
aspect? Je zou het stiekem trainen van de valk een soort rebellie
kunnen vinden. Het tonen van doortastendheid in tijden van crisis
is dan weer een bewijs dat ouders jonge kinderen eigenlijk te
beschermd opvoeden en niet goed zien wat ze eigenlijk al kunnen.
Dat is ook een beetje aan de hand met het tweede boek, want daar
negeren de ouders Berend als hij ze wil vertellen van een afgeluisterde
complot. Of ze geloven hem niet, zodat hij wel zelf in moet grijpen.
Met zijn zusje erbij deze keer. Een klassiek thema. Maar is het
middeleeuws? Ik heb sterk de indruk dat ik hier lees over moderne
kinderen in een middeleeuwse setting. Vervang de valk door een
pc of een radiografisch bestuurd vliegtuigje en je kunt net zo'n
verhaal maken dat nu speelt. Leren we dan wat over de geschiedenis en met name over het leven in het Gelre van rond 1480? Dat eerste wel. Er waren inderdaad 'roofridders' op de Veluwe en de opvolging van de hertog was omstreden. Maar zoals ik al zei: het fenomeen 'roofridders' wordt als bekend verondersteld, maar waarom ze zo deden wordt niet uitgelegd. Misschien omdat dan uit zou komen dat de benaming zowel als de actviteiten van deze mensen niet zo voor de hand liggend zijn als men wel denkt. En dat Maximiliaan van Oostenrijk, als hertogelijk opvolger, op het toernooi gewond raakte en zijn tegenstander sneuvelde, hoeft natuurlijk helemaal niet aan een complot te liggen. Dat kon op elk toernooi gebeuren, want het waren riskante vormen van sport. Dat ook in de tijd zelf aan complotten werd gedacht als vorsten omkwamen of gewond werden op toernooien, doet daar niets aan af. Dat is gewoon politiek. Of propaganda. Of we dan wat over het leven in de Middeleeuwen leren? Nou, nee. Het is weer hetzelfde verhaal als altijd; aan de ene kant is het leven er primitief (ook voor een adellijk jonker), aan de andere kant lijkt het in de boeken wel of we in de 20e eeuw zijn. Men denkt in uren en kilo's, men zit in de kerk, de dames zoeken hun hoeden bij elkaar, boeren hebben zakdoeken, het adellijke huis Vorden heeft een aparte eetzaal, je krijgt er vruchtensap bij het ontbijt, in boerderijen zijn bedsteden met deuren, en de gewonden van het toernooi worden op een brancard weggedragen. Dat primitieve, clichematige beeld van de Middeleeuwen (let wel we zijn in 1480; nog maar 20 jaar te gaan en de Renaissance begint...) blijkt uit de varkensblazen voor de ramen van Vorden (die bevatten toen echt wel glas), strozakken in bed (er waren echt wel goed opgestopte matrassen), de broodborden zijn er ook weer (men deed vlees op zijn brood, maar daar zat dan echt wel een bordje onder, ander wordt je tafelkleed vies), " Iedereen smakt en boert. En botjes vliegen door de lucht, Overal door de zaal rennen honden" (nee, men had tafelmanieren, een officieel diner was een sjieke aangelegenheid en honden werden in 1480 van de maaltijd geweerd). En dan de kledingbeschrijvingen!
Ook die gaan over alles behalve laat 15e eeuwse kleding. En de
anachronismen: Of de gewone fouten (soms ook
door Hollywood geïnspireerd): De tekeningen van Rick de Haas zijn, zoals gewoonlijk, leuk, maar ook daaruit krijg je niet echt een beeld van hoe het er in 1480 uitzag. Kortom: Berend zal voor de doelgroep een tamelijk begrijpbaar jongetje zijn, met zijn angstjes, onzekerheden en doorzetterig gedrag. Hij is echter wel een modern jongetje, neergezet in een ver verleden dat ook in deze boeken weer niet realistisch weergegeven wordt. Het wereldje van Berend is duidelijk gebaseerd op veel verkeerd begrip van zaken en een door Hollywood geïnspireerd verwrongen beeld van de Middeleeuwen. Het wordt eentonig... Hoe moeilijk is het om een kloppend historisch kinderboek te schrijven? Kunnen de schrijvers van de Ronde Tafel mij dat eens uitleggen? Misschien moet ik zelf eens een poging wagen.
In mei 2003 zette ik een recensie van Kruistocht in spijkerbroek van Thea Beckman op de Scapreel website. Daarin behandelde ik, onder andere, de misverstanden in dat boek over kleding van 1212. In die tijd was de film Crusader in jeans in een voorbereidend stadium en ik sprak daarom aan het eind van het artikel de hoop uit dat de producers (en met name de art-director) dit stuk zouden lezen en niet dezelfde fouten zouden maken als mevrouw Beckman in haar beschrijvingen van de in haar boek voorkomende kleding en verdere middeleeuwse toestanden. En dat het beeld van de Middeleeuwen nu eens een keer geen geweld aangedaan zou worden. Niet lang nadat de recensie (of kritiek) op het net stond werd ik gebeld door een dame van de productiemaatschappij, Kasander Films in Rotterdam, was. Ze liet me weten dat ze het stukje daar met plezier hadden gelezen en dat het doorgegeven was aan de regisseur en het art-department. We zouden een afspraak moeten maken zodat ik mijn mening eens over de aankleding van de film zou kunnen geven. Ze wilden zelfs wel een link naar het artikel op hun website plaatsen. Kijk, dacht ik, dat is een hoopgevend begin. Vervolgens gebeurde er lange tijd niets. Na een maandje beld ik nog maar eens. Er bleek het een en ander uitgesteld te zijn. Drukte met een andere film, vakanties, de websmid van de Kasander had zijn hand gebroken, etc. Nog geen afspraak, dus, nog even wachten. Ongeveer tegelijkertijd werd op diezelfde website aangekondigd dat eind augustus de figuranten voor de film uitgekozen zouden worden. In Archeon. Omdat ik rond die tijd ook een afspraak op Archoen had, combineerde ik de twee en maakte op 24 augustus kennis met de dames van de productie. Leuke meiden, positief, geïnteresseerd in mijn bijdragen, maar... de pre-productiefase van de film was nog niet ingegaan, ik moest nog wat geduld hebben. En die link, die kwam ook nog wel. Een maand later, nog niets gehoord, geen link. Twee maanden later, weer niets. Drie maanden later: nog niks. Ook geen link naar mijn artikel. Ik haalde het van de site, voor een nieuwe recensie. De website van de film veranderde ook niets. In december maar weer eens gemaild. Zeer kort briefje terug: we nemen wel contact op als we met de pre-productie van start gaan. Die bleek dus weer uitgesteld. Ik heb natuurlijk wel andere dingen te doen dan achter mensen die niet hun afspraken nakomen aan te zitten en het duurde dus tot ver in 2004 dat ik weer eens mailde. Dat was naar aanleiding van het overlijden van Thea Beckman op 5 mei 2004. Ik vond het namelijk nogal vreemd dat daar op de website helemaal niets over gezegd werd. Dat mailtje werd me niet in dank afgenomen. Een van de dames belde me terug. Waar ik me mee bemoeide? Dat ik geen contact meer op hoefde te nemen. Dat ze niet meer van mijn deelname gediend waren. Ik was te verbouwereerd om een echte reactie kunnen geven, dus ik heb maar opgehangen. Dat was dat. In de loop van de tijd hoorde ik wel eens wat over de film, voornamelijk dat het draaien weer uitgesteld werd. Tot er voorjaar 2005 een interview met de kostuumontwerpster voor Crusade in Jeans in de Lemniscaatclub nieuwsbrief verscheen. Het bleek de Belgische Kaat Tilley te zijn, een mode-ontwerpster die romantische kleedjes voor jongedames maakt. Wat ik las stemde me niet vrolijk. Ze had geen tijd om het boek te lezen (maar dat was misschien maar beter ook...). De jonge interviewsters keken daar ook van op: Hoe kan je nu kostuums maken als je het boek en de personages niet kent? De ontwerpster vertelde hen dat regisseur Ben Sombogaart liever wilde dat ze zich vooral baseerde op het script en haar eigen verbeelding gebruikte. 'De bedoeling van Ben is dat het een fantasieverhaal uit de Middeleeuwen wordt, het moet het gevoel en de sfeer van de Middeleeuwen oproepen, maar hij wil de Middeleeuwen anders tonen dan hoe ze normaal gesproken in films in beeld worden gebracht.' De interviewsters lieten daar trouwhartig op volgen: 'Kaat heeft, ter inspiratie, wel veel middeleeuwse schilderijen bekeken, maar voor de rest heeft ze vooral haar fantasie de vrije loop gelaten.' Ik zag de bui al weer hangen. Even verderop stond dat ze in de maanden oktober en november van het afgelopen jaar (2004) zich had afgezonderd op de Canarische Eilanden om daar het verhaal van de film tot zich te laten doordringen en alvast te beginnen met het uitwerken van de ontwerpen. 'Voor de arme mensen gebruik ik vooral zware linnen stoffen, maar voor de edelen kun je kleding maken van prachtige zijde.' liet ze ook nog weten. Ik werd hier ook niet vrolijk van. Zwaar linnen? Wat bedoelde ze? Canvas-kwaliteit? Daar kun je geen kleren van maken. Wat dan? En zou een edelman (zoals Carolus) in zijde op kruistocht gaan? Of zou het om de zeer weinige edelen gaan die de kinderen onderweg ontmoetten? In ieder geval: ze heeft 670 kostuums ontworpen die, om het goedkoop te houden, in Hongarije in elkaar werden gezet. Er was geen kans om het productieproces ervan te begeleiden, dus dat had ze helemaal uit handen gegeven. Riskante business. Je moet maar afwachten of ze je patronen en andere aanwijzingen zullen begrijpen en volgen. Over de film kwam nauwelijks wat naar buiten (de website bleef ongeveer 2 jaar hetzelfde). Er verschenen geen foto's, geen trailers, geen artikelen in kranten of op het web. Ik vond het maar vreemd. Tot ik toevallig deze zomer voor een opdracht in contact kwam met het Utrechtse museum het Catharijneconvent, dat een tentoonstelling over de Kruistochten ging organiseren. Daar zouden wat spullen en kostuums uit de film geshowd worden. Donderdag 1 september 2005, werd die tentoonstelling geopend. Inderdaad stond de tijdmachine uit de film in een zaaltje opgesteld en aan een kledingrekje aan ijle knaapjes hingen een vijftal kledingstukken, een maliekolder en een goedkope Indiase replica van een onbestaanbare pothelm. Al mijn vermoedens werden bewaardheid. De kleding was voornamelijk gemaakt van dun (half)katoen of linnen, dat geen wind of kou zou kunnen tegenhouden. Manchetten, halzen en rokken waren niet afgewerkt en vrij om te rafelen. Een zeer iel open caproentje, dat uit kleine stukjes halfglimmende kunststof slordig in elkaar geflanst was, moest als hoofdbedekking dienen. Een dun cape-je, dat zelfs een kind niet zou bedekken, was gemaakt van katoenen ribstof. Er was ook nog een soort nep-wollen poncho, zonder verdere afwerking en dus rafelend, met niet meer dan een ingescheurd gat voor het hoofd, waarover een stuk rafelig sisaltouw hing dat waarschijnlijk als gordel moest dienen. De beide tuniekjes waren daarbij binnenstebuiten gekeerd en de stiknaden waren nog eens extra uitgerafeld om ze er 'echt' armoedig uit te laten zien. Ik was bijna geschokt, vooral door die laatste kunstgreep om een rafelig beeld te krijgen. Het was ook zielig om te zien hoe men zijn best had gedaan om door het weglaten van zomen (die in de Middeleeuwen echt ook al voorkwamen) en het kunstmatig uitrafelen van randen een bewust slordig en armoedig beeld te scheppen. Een beeld dat dan weer tegemoet moet komen aan de verwachtingen die het publiek heeft van een stel armoedige kinderen (want wezen en horigen zijn natuurlijk armoedig gekleed...) op kruistocht. Het viel me nog mee dat er op deze kleding geen grote slordig opgenaaide lappen of kunstmatige scheuren en winkelhaken te zien waren. Maar dat kan nog best het geval zijn in de andere 665 kostuums. Ik heb het al gezegd in de vorige Kruistocht in spijkerbroek recensie: die kinderen waren 2 maanden onderweg, daar slijt je kleding echt niet zo van dat hij in rafels om je lijf hangt. Ook niet als je hem elke dag draagt. De manchetten en de achterhals zullen wat gesleten hebben, evenals het zitvlak, maar dat was het wel. OK, na twee maanden zal hij niet al te fris geroken hebben, maar dat hoef en kun je in een film toch niet zien aan de kostuums, hoogstens kun je het acteren. In de ruimte draaide ook nog een soort pre-view van de film (nog geen 2 minuten) die in een paar scenes de middeleeuwse kinderen in een flits toonde. Daar zag je dus het effect van die kleding, waar nog over de schouders geworpen konijnenvellen (voor de warmte?) bijkwamen. En vuile gezichten. En... gek genoeg, niet al te vettige haren. Ik weet het niet hoor, maar ik denk dat Crusade in jeans weer van hetzelfde laken een pak zal worden als Mariken, Nachtvlinder, Floris en al die andere onzin. Ik zeg dat nu wel, maar hadden ze maar laken gebruikt. Voor de adel dan... Ik geef de hoop op een beetje goed uitziende middeleeuwse film van Nederlandse bodem nu ongeveer wel op. Henk 't Jong Vooral dat laatste sprak ons in de toen net opkomende roerige jaren '60 nogal aan. En er kwam nog bij dat ik nogal romantisch aangelegd was (en zeer verliefd) en helemaal gek was op de Middeleeuwen. Toen al. Ik denk zelfs dat het boek nogal van belang is geweest voor mijn levenslange zoektocht naar hoe het in de Middeleeuwen nu eigenlijk echt toeging. Te meer omdat ik zelf ook al een tijdje bezig was in de Middeleeuwen spelende verhalen te schrijven. Al schrijvend kwam ik erachter dat ik niet wist hoe die middeleeuwers de meest basale dingen gedaan moeten hebben. Ook mijn ideeën waren namelijk gebaseerd op wat ik in films of in strips had gezien. Of die ik zelf in boeken, meestal romans, had gelezen. Zoals De brief voor de koning. Ik kwam er echter ook achter dat de door mij bewonderde schrijvers niet veel meer wisten dan ik en diezelfde invloed hadden ondergaan. Ik ontmoette Tonke Dragt namelijk op een boekenbeurs in de Bijenkorf in Rotterdam in de herfst van 1966. Ondanks mijn toen nog verlegen karakter raakten we aan de praat (ze was en is nog steeds en zeer aardige dame) en ik vertelde haar van de inspiratie die haar boeken (inclusief De geheimen van het Wilde Woud (Den Haag 1965)) me gaven. Dat vond ze erg leuk en ze vroeg me of ik haar eens wat op kon sturen. Het gesprek resulteerde in een correspondentie die met tussenpozen tot 1972 duurde. Mijn schrijfprojecten kwamen echter nooit af. Niet omdat Tonke Dragt ze niet mooi vond; integendeel. Ze gaf me veel aanmoedigend advies en veel nuttige tips. Het leven zelf kwam er tussendoor en ik ging andere dingen doen. Het schrijven van verhalen heeft tot 1995 op een zeer laag pitje gestaan. De afgelopen tien jaar heb ik tussen alle bedrijven door nog het nodige geschreven, maar er is helaas door allerlei omstandigheden nooit wat afgekomen en dus niets gepubliceerd. Om bij mijn apropos te blijven: ook Tonke had het moeilijk om het dagelijks leven te beschrijven, al had zij duidelijk meer over de Middeleeuwen gelezen dan ik. Maar dat was vooral de literatuur van die tijd: ridderromans en vergelijkbare pre-1500 fantasy. Niet bepaald boeken die overliepen van detailbeschrijvingen over wat een ridder deed als hij niet vocht of gevangen jonkvrouwen redde. Zelf zegt ze er in een interview in Elsevier over: "Van tevoren heb ik me niet verdiept in de Middeleeuwen, maar Keltische verhalen en sagen over Koning Arthur interesseerden me wel altijd al. Ik las de Abele Spelen en Floris ende Blancefloer, maar ook de strip Prins Valiant: het zijn eigenlijk allemaal sprookjes." 1) Het hierboven aangehaalde NRC artikel heeft me ertoe gebracht mijn oudste zoon te vragen zijn exemplaren van deze boeken van Tonke Dragt eens mee te brengen. Want zoals verantwoordelijke ouders hebben wij onze kinderen natuurlijk ook met haar boeken opgevoed. Nu nog bewaren beide inmiddels volwassen zonen er goede herinneringen aan. En toen ik de boeken dan ook nog eens herlas kon ik nog steeds begrijpen waarom ze zo'n indruk hebben gemaakt. Het is spannende jeugdliteratuur met een duidelijk plot, veel geheimzinnige gebeurtenissen, veel sfeer en een goede afloop. De door de schrijfster zelf gemaakte tekeningen, in een gemengde krijt-inkt techniek die veel lijkt op wat men in Vrije Scholen ziet, waren daarbij zeer atmosfeer-bevorderend. Ga ik nu De brief voor de koning uiteen rafelen op het gebied van authenticiteit? Ik denk het niet. Natuurlijk vielen me bij het lezen wel de nodige zaken op. Zo blijken de personages nogal begaan met het weten van de juiste tijd. De tweede regel van hoofdstuk 1, als we Tiuri geknield in de kapel tegenkomen, is zelfs: "Hoe laat zou het zijn?" Elders wordt met veel nonchalance gesproken over dat het kwart over twee of half acht is of "een paar minuten later". Middeleeuwers hadden natuurlijk geen horloges en klokken met echte uurwerken kwamen pas sporadisch vanaf de veertiende eeuw voor. En dat alleen in kerktorens. Het is ook niet makkelijk om deze boeken in een bepaalde periode te plaatsen. Tonke Dragt zegt daar zelf over: "Gaandeweg het schrijven ben ik wel research gaan doen naar die tijd, maar ik heb me er niet altijd even streng aan gehouden. Het boek staat vol anachronismen: zo hebben de personages zowel maliënkolders als harnassen, terwijl in werkelijkheid het harnas pas na de maliënkolder kwam.' 1) In één van haar brieven zegt ze daar aanvulend over: "Ik heb nooit gestreefd naar 'historische reconstructie' omdat mijn verhalen niet spelen in een bepaald land of in een bepaalde tijd, maar 'ergens' en 'eens'." 2) Dat ze problemen had om zich in de Middeleeuwen te verplaatsen blijkt ook uit de vele herbergen die Tiuri onderweg aandoet, want je moet toch ergens overnachten als je in de Middeleeuwen onderweg bent. En herbergen waren toch een soort hotels? Trouwens; ook de topografische naamgeving van de landen van Dagonaut en Unauwen is nogal cliché-matig: de Witte, Zilveren, Gouden, Grijze, Zwarte, Blauwe, Rode en Groene Rivier, en de Regenboogrivier. Of het Noordergebergte en de Zuidenwindbergen, de Maan-, Sterren- en de Zonheuvels, de Witte en de Regenboogheuvels, het Roversbos en zulke alliteraties als het Wilde Woud en het Blauwe Bos. Om maar niet te spreken over zulke doorzichtige betekenisnamen als Unauwen (Unknown), Dangria, Islan en Eviellan. Ik moet echter bekennen dat ik dat toen helemaal niet erg of banaal vond, maar zelf soortgelijke namen in mijn verhalen introduceerde. Het heeft dan ook geen zin om met de vinger te wijzen naar anachronismes en 'fouten' want als je fantasy schrijft hoeft dat niet te kloppen. Het is echter wel een feit dat het denken over 'hoe het echt was' bij mij werd veroorzaakt door ondermeer de 'middeleeuwse' boeken van Tonke Dragt. Buiten dat was zij het die me op die bewuste boekenmarkt in 1966 wees op de werken van Tolkien, die voor haar een grote inspiratiebron zijn geweest. Voor de invloed daarvan op haar werk is ze overigens wel beducht geweest. 'Ik ben nadat ik The Lord of the Rings had gelezen juist acht maanden gestopt met schrijven, omdat ik niet wilde dat het er te veel op ging lijken,' zegt ze in het al eerder aangehaalde interview in Elsevier.1) En nu schijnt er dan een film te komen. Dat zal wel ingegeven zijn door het feit dat het boek in 2004 werd verkozen tot het beste Nederlandse kinderboek van alle tijden. Vorig jaar augustus kon je in de pers lezen dat Egmond Film and Television en Armada Productions bezig zijn met een adaptatie van De brief voor de koning en dat die eind dit jaar af zou moeten zijn. Er is nog niet veel over zo'n film te vinden op internet dus het zal wel gaan zoals bij Crusade in jeans, die op 18 november in premiere zou moeten gaan, maar waarvan het nog maar de vraag is of dat (weer niet) doorgaat. Dat De brief tot het beste Nederlandse kinderboek is uitgeroepen is en blijft echter geheel terecht. Ook na bijna 45 jaar blijft het overeind als een goed jeugdboek. Al ziet een inmiddels wel veel meer ervaren lezer er natuurlijk wel wat zwakke plekken in, kinderen zullen er desondanks van blijven smullen. Evenals dertienjarige mannen. Henk 't Jong
1) Elsevier 4 februari 2005 (http://www.elsevier.nl/persoonlijk/gezondheid_en_gezin/nieuwsbericht/asp/artnr/25461/versie/3/index.html) 2) brief Tonke Dragt, 4.8.1967, 4. 12 Weer die vechtjassen...
Gek genoeg zie ik op evenementen, in kastelen, in Archeon nog steeds die jongetjes met die zelfde rare niet passende helmpjes, die kwetsbare kurasjes, die schildjes en die knakkende zwaarden. Nu hebben ze er echter ook capes van glimstof en jakjes die malienkolders moeten voorstellen bij. Na 50 jaar is er dus nog weinig veranderd bij de middenstanders die tegemoet komen aan de drang van jongetjes om ridder te worden. Alleen die kleding is eraan toegevoegd. En je hebt tegenwoordig ook houten hellebaarden, speren, schildjes met een echt heraldisch teken (dikwijls in de verkeerde kleurencombinaties) en zwaardjes. Maar die zwaarden zijn niet te vergelijken met dat van mij toen; ze zijn zo kapot, zeker als je niets anders ermee doet dan 'schermen': hakken van zwaard op zwaard. En je kunt tegenwoordig ook boekjes kopen die je uitleggen wat je moet doen om ridder te worden. Tenminste, dat zegt Sam Taplin's Handboek voor ridders (Alkmaar, zonder jaartal, maar zeer recent want het jaar 2007 is nog maar net bezig terwijl ik dit schrijf en het boekje heeft al een eervolle (?) vermelding van de Nederlandse kinderjury te pakken voor dit jaar). Het is een vertaling uit het Engels van The Usborne Official Knights Handbook, en het vermeldt al op de omslag: word razendsnel een goede ridder. Dat hadden wij in onze tijd niet. De vraag is of ik er toen zo blij mee zou zijn geweest. Want er staat me toch een hoop onzin in! En dat verpakt in een slecht vertaald Engels understatement jargon (maar dat had ik toen vast niet gemerkt) dat af en toe behoorlijk de sarcastische kant heen gaat, zowel in tekst als in tekeningen. De lezer wordt op de bekende jofele manier toegesproken zoals je die wel meer in moderne kinderlectuur ziet en dat zou dan aantrekkelijk moeten zijn. Ook aantrekkelijk zijn de kleurige tekeningen op papier met een perkament-tintje (of in ieder geval zoals men denkt dat perkament eruit ziet) maar wat ze afbeelden is één en al anachronisme en stikt van de fouten. Zoals de afgebeelde Tempelier met het kruis van de Duitse orde op zijn wapenrok en... maar laat ik maar ophouden. Ik hoe waarschijnlijk niet verder uit te leggen dat de tekst voor het overgrote deel foute en al lang achterhaalde informatie geeft in een belabberde vertaling (misericorde, de scherpe priemdolk, wordt bijvoorbeeld vertaald met 'Wrede wapens' en de helft van de heraldische termen is fout). Het is om treurig van te worden. En word je er nou nog ridder mee, maar dat kan ook al niet. Je kunt beter lid worden van een re-enactment club.
Waar ik echter nog de meeste moeite mee heb - en dat is niet alleen bij Sonnemans aan de orde, maar bij alle populaire boeken over 'ridders' - is de vermenging van historie en fictie. Ridderromans waren de soaps en fantasy lectuur van de Middeleeuwen (en ver erna). Wij maken niet de fout te denken dat wat in soaps allemaal gebeurt in een mensenleven echt is, en weten wel zeker dat wat in fantasyboeken wordt geschreven sprookjes zijn. Maar je zou de mensen de kost moeten geven (en zeker kinderen) die denken dat wat in de verhalen zoals die bijvoorbeeld over koning Arhur gebeurt ook echt heeft plaatsgevonden, inclusief de reuzen en draken. Om maar te zwijgen van de Graal. Dat is toch wel erg naïef. Ridders hebben echt bestaan - de adelsrang bestaat zelf nu nog - en je kunt nog steeds tot ridder in de orde van Oranje-Nassau verheven worden. Veel van die historische ridders hebben echt te paard gevochten en leefden in huizen die wij tegenwoordig kastelen noemen (maar toen niet zo heetten). Maar er waren veel meer lieden van riddermatige afkomst die dat helemaal niet deden en die helemaal niet zo woonden. Over die, veel grotere, groep hoor je de schrijvers nooit, want dat wil het publiek nu eenmaal niet lezen. En als men zich nu eens zou verdiepen in hoe het leven tussen, zeg, 1100 en 1500 (de laatste 400 jaar van de Middeleeuwen) echt was en wat mensen deden, hoe ze eruit zagen en wat ze aten en dronken, etc. dan zou er eindelijk eens wat echt interessante informatie op de boekenplank komen. Of als men zich nu eens zou bedenken wat 'ridders' deden als ze niet vochten of feestten, iets waar ook Hollywood altijd een probleem mee had (heeft?). Ik weet het; ik zal het waarschijnlijk zelf moeten doen, en dat is ook echt mijn plan. Maar nu nog even niet; eerst de studie af. Tot die tijd moeten de jongetjes het dus doen met de producten van Taplin en Sonnemans. Arme jongetjes. Maar misschien groeien er toch een paar op die gaan uitzoeken hoe het nu echt toeging in de Middeleeuwen. Ik kan hen met een gerust hart verzekeren: heel anders! Als toevoeging: de tekeningen
zijn deze keer wel heel erg slecht. Elly Hees heeft echt helemaal
geen kaas gegeten van de Middeleeuwen en haar stijl is, in mijn
ogen (en ik ben van huis uit illustrator) van een belabberd soort
naïeve rommeligheid dat je ogen er pijn van doen. Plus dat
ze een aantal illustraties uit het vorige ridderboekje van Sonnemans
heeft nagetekend, maar dan nog slechter (zie de tekening en kijk
dan op deze pagina).
Dikke min. Henk 't Jong
1.3.2007
13 Historische antihelden in de schijnwerpers. Kinderboekenuitgeverij Niño, een ‘imprint’ van uitgeverij SWP, stuurde me onlangs drie deeltjes uit de serie Historische Helden om eventueel te recenseren. Ze zijn vers van de pers en vormen de voorlopers van wat, waarschijnlijk, een nieuwe serie moet worden die ons de heldenmoed van vroegere ‘Nederlanders’ moet inpeperen. Nou heb ik van jongsaf altijd moeite gehad met het begrip held en dat is er door de loop der jaren niet minder op geworden. Zeker recentelijk, met de verkiezingen van dat soort nationale helden op tv en het aandacht besteden aan dergelijke figuren in de nationale canon en de inmiddels ingevoerde 10 historische tijdvakken van de commissie De Rooij. Om maar te zwijgen van de al veel aangevallen oproep tot meer ‘VOC mentaliteit’ door onze minister-president. Ik heb in eerdere recensies en columns op deze website al dikwijls genoeg door laten schemeren dat ik niet zit te springen om dergelijke heldenverering in het moderne geschiedenisonderwijs of de jongerenliteratuur. Ik ben me er volledig van bewust dat de jeugd graag rolmodellen heeft en opziet tegen mensen die bijzondere dingen presteren, maar als dat politici, veldheren, vorsten of andere notabelen worden doet het me wel erg terugdenken aan de 19e eeuwse nationalistische historie waarvan ik in mijn schooltijd ook nog een staartje heb meegemaakt. De uitgever heeft mijn recensies echter duidelijk gelezen en kan dus weten wat hem/haar te wachten staat. We hebben hier echter te maken met kinderboeken die de jeugd een beeld moeten geven van wat opvoeders denken dat ze van geschiedenis moeten weten. En dat liefst zo kleurrijk en begrijpelijk mogelijk. De vraag is of dat in deze drie boekjes aan het lukken is. Ik betwijfel het. Ik heb al laten merken dat ik moeite heb met de heldenstatus van de hoofdfiguren; ik vind het meer antihelden. En wat moet je daar dan van opsteken als jeugdig lezer? Niet dat het niet nuttig is om te lezen over het mislukken van grootse visioenen (het verlies van Amerika voor ‘Nederland’, het verlies van je vrijheid van meningsuiting in de zo ‘tolerante’ Republiek en het verlies van je graafschappen door eigenwijs gedram), maar ik vraag me af of dat de bedoeling was van de schrijvers en uitgever. Je hoeft alleen maar te kijken naar wat weggelaten wordt. Aan De Groots werkelijke status van geniaal rechtsgeleerde, en theoloog, aan wie we het gedachtengoed dat de VN heeft doen ontstaan te danken hebben wordt weinig aandacht besteed; het draait toch om de slimme en romantische ontsnapping uit een zwaar bewaakt kasteel. Om over de wel heel summier aangeduide (kader op p. 13) problemen tussen Remonstranten en Contraremonstranten maar te zwijgen. Dat is het probleem dat ik met alle drie die boekjes heb: een periode in de geschiedenis (de overgang naar Bourgondisch of Engels gezag van ‘Nederlandse’ gebieden en de richtingenstrijd in het Twaalfjarig Bestand) wordt opgehangen aan een paar namen met een zekere weerklank. En dan wordt veel moeite gedaan om via hen bepaalde gebeurtenissen te verklaren. Dat is onmogelijk. De beide ontsnappingen, één in mannenkleren en één in een boekenkist, en de meningsverschillen tussen een directeur-generaal en zijn kolonisten zijn te mager om zo’n geschiedenis aan op te hangen. Het gaat voorbij aan de wreedheden en gevolgen van de strijd tussen Hoek en Kabeljauw, de betekenis van Hugo Grotius of Huig de Groot had voor het internationaal recht en de gevolgen van het conflict van Remonstranten en Contraremonstranten (papa heeft ruzie met prins Maurits…) en de invloed van de WIC op de Amerikaanse koloniën. Ik zie niet hoe hiermee het begrip voor die perioden in de geschiedenis gediend wordt. En dan die titels! De boekjes over Jacoba, Huig en Pieter heten respectievelijk: ‘Paniek op het slagveld. De strijd van Jacoba van Beieren’, ‘Geen licht en geen lucht. De ontsnapping van Hugo de Groot’, en ‘Een ordeloze bende. Het New York (!?) van Pieter Stuyvesant’. Wat iemand daar mee voor had en waar het op slaat; ik weet het niet. Henk 't Jong 5.8.2008 |
|
|