|
Terug naar de Column-pagina |
11 Geschiedenis met een knipoog...of niet? tScapreel neemt nogal veel deel aan cultuur-historische evenementen. Wij proberen bij zulke gelegenheden op zo'n verantwoord mogelijke (en de nadruk ligt op 'mogelijke') wijze middeleeuwers neer te zetten. Kleding, gereedschap en verdere attributen zien er met de materialen die nu voor handen zijn zo echt mogelijk uit. Ook het verhaal dat onze mensen vertellen klopt zoveel mogelijk met de meest recente historische gegevens. Daar staan we om bekend en daar worden we om gewaardeerd. Er zijn verder niet veel professionele groepen in Nederland die dat zelfde niveau halen of die het zelfs maar pretenderem na te streven. "Wij zijn niet zo fanatiek als tScapreel", zeggen ze dan, "We laten de geschiedenis zien met een knipoog." Die uitdrukking horen we de echter de laatste tijd steeds meer en hij wordt niet alleen gebezigd door onze concurrenten. Ook musea, culturele instellingen en zelfs, laatst, een archivaris namen hem in de mond. Ik vind dat een zorgwekkende ontwikkeling. Het komt namelijk voor dat wij tijdens zo'n evenement bepaalde, goed onderbouwde uitspraken doen over middeleeuwse onderwerpen en dat een paar honderd meter verderop zo'n niet serieuze grooep geheel andere, soms volkomen tegenstrijdige beweringen doet. Sommige mensen komen dat terug om te vragen wie er nu gelijk heeft. Of zeggen tegen die bewuste groep: "Ja maar, die lui van tScapreel zeiden dat..." en vice versa. Verwarring! Dilemma! Ik weet niet goed wat ik met deze ontwikkeling aan moet. En bleef het daar maar bij. Als bijvoorbeeld musea mensen proberen binnen te krijgen door middel van het 'lichtverteerbaar' maken van historie, door die niet serieus te nemen, te karikaturiseren of zelfs geheel belachelijk te maken, of zelfs nog erger: door onware, maar lekker in de mond liggende, uitspraken te doen, dan denk ik dat die musea verkeerd bezig zijn. Je kunt de wetenschap der geschiedenis maar tot op een bepaalde hoogte populariseren voor hij belachelijk wordt. Of onbetrouwbaar. Als een museum als het Legermuseum in Delft bij zijn Roderik tentoonstelling een volkomen belachelijke 'ridder'show opvoert is dat dan geschiedenis met een knipoog of geschiedvervalsing? Mag een museum de geschiedenis vervalsen? Als op de Amsterdam, het VOC schip bij het Scheepvaartmuseum, allerlei anachronistische dingen gebeuren, is dat dan goede voorlichting geven over het leven aan boord van een 18e eeuwse koopvaarder? Als in Archeon de tolken nog steeds in katoentjes lopen, is dat dan geen fout beeld van de Middeleeuwen of Romeinse tijd geven? Moeten we dat weg lachen met een knipoog? Of moeten de respectieve directies ervoor zorgen dat ze, met de hun ten dienste staande middelen en het materiaal dat in Nederland voorhanden is, wel aan hun opdracht voldoen? Ze staan toch in dienst van de wetenschap? En de wetenschap probeert toch de waarheid, voor zover mogelijk, te vinden en in de openbaarheid te brengen? Dat het geven van voorlichting over serieuze historische onderwerpen, zoals veldslagen, ook luchtig en zelfs komisch kan zijn is trouwens elke week (dinsdag) te zien op de BBC 2 in de serie 'Two Men in a Trench'. Maar in dit programma wordt net zo goed aandacht besteed aan de serieuze en donkere kanten van de geschiedenis. Eigenlijk is geschiedenis net het leven: een lach en een traan. Maar wel allebei en niet het een ten koste van het andere. Of alleen de sensationele aspecten eruit gepikt. Henk 't Jong 13.9.2002 Natuurlijk kan iemand het voor mij niet gauw goed doen. Ik ben natuurlijk geheel ondergedompeld in de Middeleeuwen. Ik lees, naast detectives, niet veel anders dan over die tijd, bestudeer in tientallen bronnen hoe het dagelijks leven er tussen ca 500 en 1500 uitzag en doe ook nog eens aan levende geschiedenis. Ik bezoek daarbij ook musea, tentoonstellingen, middeleeuwse gebouwen, waaronder kastelen en lees ook nog eens het nodige dat collega-liefhebbers op het Internet te vertellen hebben. Dat is geen verdienste, maar als je beweert middeleeuws adviseur te zijn (jaja, ik weet het; grammaticaal niet juist, maar het werpt vragen op en zo begin je een gesprek) moet je wel bijblijven. Zelfs mediëvisten zijn niet zo breed geörienteerd, laat staan rondleiders of hun directeuren. Ik krijg namelijk altijd de kriebels als ik met een rondleiding meeloop. Niet vanwege de rondleiders, maar om wat ze zeggen (of beweren). Vroeger, toen ik nog geen adviseur was, zei ik er wel eens wat van. Zo kon het gebeuren dat ik in het Muiderslot, op de wapenzolder, na een opmerking over wat de rondleidende mevrouw verkeerd zei over een musket, opeens zelf met zo'n ding in mijn handen stond om dan maar eens uit te leggen hoe hij dan wel in elkaar zat. Nou had ze me daar niet mee, want ik weet nog wel meer dan over de periode voor 1500, dus de rest van de groep kreeg een keurige uitleg over hoe je zo'n ding laadt, richt en afschiet. Maar ik bedoel maar: dat risico loop je... Tegenwoordig doe ik dat dus niet meer. Waarom zou je gratis informatie weggeven, waar anderen, als ze ons inschakelen, voor moeten betalen, niet? Als ik het echt niet vind kunnen, schrijf ik wel een briefje naar de directie, waarin ik aanbied om de tekst te herschrijven. Niet dat die directeuren daarop ingaan, trouwens. Zo komt het dus dat je in bijna elk kasteel waar je komt, nog steeds die bekende spreekwoord-rondleidingen hoort. De rondgeleiden vreten het en roepen: AHA! bij elke verklaring van weer een middeleeuws gebruik. 90 % van die verklaringen is echter gewoon fout, of op z'n minst verkeerd begrepen. Voorbeelden? Bij een harnas waarvan het vizier omhoog geklapt is, wordt gezegd: "Achterbaksheid was geen ridderlijke eigenschap. Doorgaans trad men zijn tegenstander tegemoet met open visier (het is echt met een z)..." Jawel, die ridder was daar even gek, en dan het risico lopen dat hij in zijn gezicht gestoken of geslagen werd zeker. Of "Pot en ketel hingen aan een haal, waarmee de hoogte van de pot boven het vuur geregeld kon worden. Een haal wordt ook wel genoemd een hangijzer. Men kan een heet hangijzer op het vuur hebben hangen, te heet om aan te pakken, een netelige zaak dus." Een hangijzer is echter heel wat anders; het is een voorwerp bestaande uit een ijzeren cirkel met drie daaraan vast zittende eveneens ijzeren staafjes die boven piramidevormig bij elkaar komen en daar een oog hebben. Je kon er een aardewerken pot inhangen zodat die wat verder boven het vuur verder kon sudderen en het hangijzer werd dan op zijn beurt weer aan de haal gehangen. Misleidende en foute informatie dus (beide voorbeelden zijn afkomstig uit: Peter van Mensch, Spreekwoorden en gezegden in het Muiderslot, z.p., z.j.) Dit zijn maar een paar voorbeelden en toevallig afkomstig uit het Muiderslot, maar in elk kasteel waar ik geweest ben en waar rondleidingen worden gegeven, worden dergelijke en soms nog veel foutere voorbeelden verteld. Je vraagt je af waarom dat nou zo moet. Onthouden mensen de informatie zo gemakkelijker? Is zo'n tekst voor de rondleider gemakkelijker te onthouden en komt het er zo automatisch uitrollen zodra het oog valt op het bewuste voorwerp (Pawlow-reactie)? Hebben de bezoekers erom gevraagd? Je zou dat laatste bijna denken. Onlangs horode ik namelijk dat bezoekers het zo leuk vonden dat de archeotolken in Archeon, net als op de kastelen, ook spreekwoorden gebruikten bij hun uitleg. Ik dacht bij mezelf: heb ik daar nou die reader voor geschreven en tijdens mijn baan als coordinator daar de mensen verboden met spreekwoorden te werken? Want het is zo gevaarlijk, mensen! Veel van die spreekwoorden dateren helemaal niet uit de Middeleeuwen en slaan op veel latere toestanden en gebruiken. Zelfs onze nationale spreekwoordenboeken, als je de betekenissen wilt controleren, hebben het daarbij dikwijls ook nog verkeerd, zodat je ook daar (dikwijls) niet voor je verklaring moet wezen. Zo heeft het bekende en degelijke Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen, van K. ter Laan (ik heb zelf de prachtige ingebonden derde druk uit 1956) weliswaar het hangijzer goed: "...het was het ijzer, waarop de pan gezet werd, die door 't vuur werd verhit. Het hing aan de haal en deze weer aan de haalboom in de schoorsteen.", maar ging de fout in bij het vizier (bij hem wel goed geschreven): "Vóór het gevecht sloeg de ridder 't vizier op, zodat de tegenpartij wist met wie hij te doen had." Dat mag tijdens een toernooi wel eens voorgekomen zijn, al waren daar de heraldiek de herkenningspunten, maar om tijdens de oorlog dit gebruik toe te passen was vragen om moeilijkheden. Hoe moest je een verpakte ridder trouwens, al op elkaar afrijdend, aan ogen, neus en snor herkennen, als je elkaar waarschijnlijk nog nooit gezien had? Onpraktisch, dus, en als ik iets geleerd heb de afgelopen 20 jaar is het dat de meeste middeleeuwers vooral practisch waren. Maar waarom zou je je verhaal af laten hangen van dubieuze spreekwoorden? Waarom niet verteld hoe een 'ridder' echt met zijn harnas omging of hoe er in een middeleeuwse haard gekookt werd, eventueel met een demonstratie (ja, ik weet het: dat kost geld...)? Wat is er mis met het geven van echte historisch betrouwbare informatie? Dat moet natuurlijk wel eerst iemand schrijven en zo iemand, zoals die lui van tScapreel, moet je wel betalen, maar daar kun je dan wel weer een paar jaar mee vooruit. En de rondleiders geven dan eens een keer geen onzinnige informatie en de bezoekers leren ervan hoe het werkelijk toeging op een kasteel. Dat is toch niet verkeerd? Ik houd me overigens aanbevolen voor reacties van kasteel-directeuren die mij vertellen dat dit soort rondleidingen inmiddels bij hen is afgeschaft en zal dan een beschaafd gat in de lucht springen. Ik heb de laatste tijd echt niet de gelegenheid gehad om alle kastelen van Nederland te bezoeken, dus wat de recentste stand van zaken is weet ik niet, maar ik vrees nog met groten vreze. Henk 't Jong Ik geef het toe: ik ben jaloers. Ik ben jaloers op de Egyptenaren, de Syriërs, de Grieken, de Etrusken, de Romeinen, ja zelfs op Trechterbekervolken en Vlaardingencultuur. Ik ben zelfs een beetje jaloers op de Vikingen. Hoe komt dat dan, zult u vragen. Dat komt doordat het RMO zo weinig aandacht aan onze Middeleeuwen besteedt. En met RMO bedoel ik het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Eind januari ben ik weer langs geweest en ik kreeg weer een heftige aanval van het groene monster te verduren. Het was nog erger dan vorige keren: nu was de Middeleeuwen helemaal verdwenen! Vroeger, zeg voor 1994, werd er in het RMO aandacht besteed aan de Nederlandse Archeologie op een manier die we allemaal nog maar al te goed kennen. Rijen potjes, scherfjes, vuistbijlen, kokerbijlen, kraaltjes, vuursteentjes, wat brons, wat ijzer, en dat opgesteld op een overzichtelijke manier. Maar saai...saai.... In 1994 was er echter een complete ommezwaai. De hele bovenste etage werd ingericht om de Nederlandse archeologie te laten zien: Prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen. Het geheel werd in in één stijl gehouden en elke tijd kreeg zijn eigen kleur en er was veel te lezen en te leren. Ik vond het wel mooi, toen. Nog wel een beetje saai, maar het oogde tenminste goed. Ik had ook maar een paar opmerkingen over enkele bijschriften en illustraties in het middeleeuwse gedeelte en vond dat deel een beetje klein. Maar ja... De Prehistorie heeft natuurlijk veel langer geduurd dus die verdiende meer ruimte, al is er in verhouding veel minder aan voorwerpen uit die 10.000 jaar gevonden. De Romeinse tijd heeft in Nederland nog geen 500 jaar geduurd, de helft van de Middeleeuwen, maar hij was veel ruimer vertegenwoordigd in de opstelling. Ik werd toen al een beetje jaloers. Aan het eind van de jaren '90 begon een grote verbouwingsoperatie. Wie herinnert zich niet de geheel met prachtig blauwe gordijnen behangen binnenplaats, terwijl de verbouwing in volle gang was en de tentoonstellingen gewoon door gingen? Iedereen vroeg zich af wat het RMO zou gaan worden als alles klaar was. Nou, dat was eind 2000 duidelijk: meer Egypte, meer Romeinen, meer Grieken en prestigieuze en spectaculaire speciale tentoonstellingen. Maar...niet meer Middeleeuwen! Op de bovenste etage van de nieuwbouw werd uitgebreid aandacht besteed aan de Romeinen en hun rijk, o.a. bij ons, waarbij veel mooie opstellingen, maquettes, reconstrcuties etc. getoond werden. Meer en ruimer nog dan tussen 1994 en 2000. Er was echter een goed bericht: de Middeleeuwen zou ook vernieuwen. Ik erheen in november 2000. Nou dat viel tegen! De wandbekleding van de vorige tentoonstelling was weggehaald en je keek tegen de kale baksteen, leidingen en plafondconstructie aan. Was die nou van hoge kwaliteit geweest, maar dat was zeker niet het geval. Het voegsel droop tussen de stenen - een mix van oud en nieuw - uit, de leidngen zaten lelijk in het zicht en al was alle constructiewerk zwart gespoten, de akelige TL verlichting liet duidelijk zien dat het een rotzooitje was. Daarbij was er veel minder te zien, waren er te veel spullen bij elkaar in vitrines gestopt, die zo verkeerd aangelicht (dikwijls in tegenlicht) werden, dat je de zeer summiere bijschriften nauwelijks kon lezen. De klap op de vuurpijl was nog dat in de zogenaamde A-teksten, de banieren, grote lappen gekleurd plastic die met middeleeuwse miniaturen en inleidende teksten waren bedrukt, een bijzonder groot aantal fouten stond. Ik was geschokt. Te geschokt om jaloers te zijn. Ik schreef de directeur, maar die verontschuldigde zich nauwelijks, en ik voelde me geroepen meer inhoudelijke kritiek te laten horen. Dat hielp ook niet. Wel voelde ik me gesteund door een artikel van Babette Hellemans in Madoc (herfst 2001), die een groot aantal van mijn opmerkingen ook als haar kritiek gaf. Er veranderde niets aan de opstelling. Dat gebeurde pas toen de super-tentoonstelling over de Syriërs eind 2002 begon. De hele Middeleeuwen werd geruimd en de bovenste etage werd met nep-rotswanden, in de meest onmogelijke kleuren, en smalle glazen vitrines met daarin in het gamma (dat zeg ik...) gehouden satijnen frommelvloertjes ingericht. Daarin staan dus allerlei spulletjes uit Syrische musea opgesteld, afkomstig van Syrische opgravingen van Prehistorie tot de tijd van de Kruistochten. Ik weet niet...ik vond het veel geschreeuw en weinig wol. En ik kreeg het gevoel of ik dronken was, want die 'rots-lagen' liepen licht schuin langs de wanden (die ook nog eens overhelden of zelfs achterover leunden), daarop hingen streng rechthoekige tekstborden, waarop de tekst in een hoog paralellogramachtige vorm gedrukt waren: de linker en rechterkantlijn liepen boven naar elkaar toe. Ik voelde me soms alsof ik koorts had, maar misschien was dat het laatste restje griep onder mijn leden. De meeste bezoekers (vooral bestaande uit de hoger opgeleide grijze golf...ja, ja, straks ben ik ook 55 en dan hoor ik daar ook bij...) lazen echter niet, maar hadden een walkie-talkie tegen het oor gedrukt. En daar werd een partij op gezeverd! Ik ging vier keer sneller de expo rond dan de rest van de bezoekers! Mensen die mij beter kennen weten dat ik een hekel heb aan dit soort publiekstrekkers, zeker als die een, toegegeven: slechte, Middeleeuwen opstelling verdringen. Maar er is hoop. We weten inmiddels dat er voor april een educatieve, op de jeugd gerichte expositie over de Middeleeuwen op het menu staat. Zijdelings zijn we daar als Scapreel bij betrokken. Het is maar te hopen dat ze in plaats van zoals laatst die rare Romeinse jongens niet de 'maffe Middeleeuwers' gaan laten zien. Maar ik geloof wel dat ik minder jaloers zal zijn als het een leuke tentoonstelling wordt. Ik wacht af. Henk 't Jong Het leven van een kostuumverhuurder gaat niet over rozen. Het vergt een grote kapitaalsinvestering om de kostuums te laten maken, ze op te slaan, ze schoon te houden en te repareren en natuurlijk is er ook nog het personeel. In deze tijd is het runnen van zo'n bedrijf bijna niet meer vol te houden. Dat is ook al te zien aan het feit dat er de laatste jaren drie ter ziele zijn gegaan: Doornink in Arnhem, Van Nooijen in Rotterdam, TV Costume (voormalig NOS-kostuumafdeling) in Hilversum. En dat waren geen kleintjes. In West Nederland zijn nog maar een paar grote (Hoppezak in Leiden, Gerritsen in Amsterdam en De Wit in Den Haag) over en verder zijn er wat meer verspreide, vooral voor de feest- en carnavalsmarkt opererende bedrijven. Toen tScapreel pas begon heb ik een rondgang gedaan langs die bedrijven om te zien of er samenwerking mogelijk was als er klanten waren die vroegen om middeleeuwse huurkostuums. Het bleek echter dat geen van die soms oude en respectabele verhuurders correcte replica's van middeleeuwse kleding in bezit had. Erger nog: als er om dit type kostuum gevraagd werd dan kregen de klanten eerder slecht uitziende, losjes op 16e , 17e en 18e eeuwse voorbeelden gebaseerde kledingstukken mee. De 'kanten' kragen en manchetten, diepe decolletees, baretten met veren en kuitbroeken met felwitte kousen en valse gespen op de schoenen waren niet van de lucht. Die samenwerking is dus niets geworden. Op mijn vraag of ze dan niet patronen voor echte middeleeuwse kleding wilden hebben, antwoordden enkelen (zij die wat meer op de hoogte waren van pre-1500 stijlen) dat 'de mensen' dat niet willen. Mannen willen niet in maillot en vrouwen willen niet die lappen om hun hoofd. En, het belangrijkste, het zag er niet glanzend of glinsterend genoeg uit! Ik kon praten als Brugman en vertellen dat middeleeuwse mannen geen maillots droegen en dat er ook heel schattige middeleeuwse hoofdbedekkingen voor vrouwen zijn en dat heel rijke middeleeuwers best mooie, sjieke kleren droegen, maar het kon er niet in. Dat de kostuumverhuurders niet geheel zonder een soort middeleeuwse kleding zitten is echter wel een feit. Er zijn er namelijk die op 15e eeuwse stijlen gebaseerde dameskostuums hebben. Alleen zijn die meestal verkeerd geconstrueerd, van de verkeerde stoffen (fluwelen, satijnen of damasten gordijnstoffen) en kleuren gemaakt en hebben ze vooral de verkeerde hoofddeksels. De beruchte punthoed of hennin uit het derde kwart van de 15e eeuw (de traditionele 'middeleeuwse jonkvrouwen' dracht) is er daar een van, maar ook de hoornhoed, de wrong/bourrelet en de crespinettes met hoofdband zijn te zien. Allemaal verkeerd van constructie en slecht passend op de moderne kapsels van de hedendaagse vrouw. De vraag is natuurlijk ook of ze wel de goede voorbeelden hebben voor hun kleding. Zoveel goede kostuumboeken zijn er niet en patronen moet je al helemaal met een lantaarntje zoeken. En een ander, dikwijls de doorslag gevend, argument is dat middeleeuwse kleding niet altijd even gemakkelijk of comfortabel zit als je T-shirts, truien en jeans gewend bent. Een pak met een hemd, broek en jas of een makkelijk open te ritsen jurk, al is hij lang, is dan logischer om te huren. Dat er allerlei mogelijke tussenoplossingen te verzinnen zijn voor toch een correcte snit, wil er echter bij de meeste kostuumverhuurders niet in. Toch moet dat de oplossing zijn; een meer toneelmatige aanpak van een kostuum, zodat het er behoorlijk op lijkt, maar toch comfortabel zit. Voorlopig is het echter nog niet zover. Als we afgaan op wat wij regelmatig aan huurkostuums op 'historische' evenementen zien is er nog genoeg voorrraad aan nep-middeleeuws, inclusief antimakassar-kant, dralon-fluweel, nylon-zijde, lurex en machinaal geweven goudband. Maar als de organisatoren, de pers en de mensen zelf denken dat ze op middeleeuwers lijken hebben ze het wel goed verkeerd. Dat valt te meer op als er mensen van serieus onderzoek doende re-enactment verenigingen of mensen van tScapreel op diezelfde evenementen rondlopen. Dat niet alleen de organisatoren van evenementen met onhistorische kostuums opgescheept worden mag blijken uit een recent voorbeeld. In het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden loopt sinds half mei j.l. een historisch-archeologische tentoonstelling voor kinderen die Mysterie Middeleeuwen heet. De kinderen die de bezoekers helpen met het oplossen van hun mysterie zijn zeer duidelijk aanwezig in een film, op videoschermen in de expositie en op het drukwerk bij de tentoonstelling: folder, gids en poster. Ze stellen een jongen en een meisje uit 1488 voor. De kleding, echter, waarin ze zijn gefilmd en gefotografeerd, is gehuurd bij een bedrijf in Amsterdam (niet Gerritsen) en klopt niet. Het meisje staat erbij in een op een 18e eeuws jak, rok + boezelaar geinspireerd kostuum en het jongetje loopt rond in vroeg 19e eeuwse kleding bestaande uit een openvallend jasje en een driekwartbroek (dus geen kuitbroek) over een aan de hals met een koord samengetrokken hemd. Zo zagen kinderen uit de late 15e eeuw er dus echt niet uit. Hieruit blijkt maar weer dat zelfs een gerenommeerd museum als het RMO niet weet hoe kinderen toen gekleed gingen. Anders hadden ze toch wel ingegrepen? Een gemiste kans, dus. En een smet op het blazoen van het museum. Maar erger is dat al die tienduizenden kinderen die Mysterie Middeleeuwen tot augustus 2004 gaan bezoeken weer eens verkeerd worden voorgelicht over het uiterlijk van hun voorvaders en -moeders. De geschiedenis zal zich nogmaals herhalen. Als ze zelf in de toekomst eens een 'middeleeuws' feestkostuum gaan huren, zullen ze er niet raar van opkijken als ze een anachronistisch mengsel van kledingstukken uit de 16e tot en met de 18e (of misschien wel 19e ) eeuw aangesmeerd krijgen. Oh, had het RMO tScapreel maar even om advies gevraagd.... Henk 't Jong 27.5.2003 Zaterdag 1 november jl werd in Apeldoorn de derde Nationale Geschiedenisdag gehouden onder auspiciën van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur. Ondergetekende zat in het forum dat de 'Theorie en praktijk van living history' behandelde en gaf aan het eind van de dag uitleg bij het Romeinse en middeleeuwse gedeelte van een modeshow door leden van Levende Geschiedenis (LG) verenigingen. Het thema van de dag was: Het andere gezicht: conflict en geweld in de Vaderlandse geschiedenis. Vandaar dat er een flink aantal leden van bij het Landelijk Platform Levende Geschiedenis (LPLG) aangesloten clubs aanwezig was om te laten zien hoe dat geweld er door de eeuwen heen uitgezien heeft. Romeinse legionairs, vikingen, geharnaste ridders, 17e eeuwse rapiervechters, 18e eeuwse Schotse huurlingen en Napoleontische infanteristen waren daar te zien plus wat mensen die aspecten van het Nederlandse leger tijdens het begin van de tweede Wereldoorlog toonden. De modeshow en een deel van de demonstrerende en rondlopende historisch geklede mensen lieten echter ook aspecten van het burgerleven zien. En ik moet zeggen: de kwaliteit van het gebodene was zeer hoog. Ik denk dat de bezoekers aan de dag dat ook wel vonden, maar hun opstelling was wat terughoudend. Volgens de organisatoren bestonden zij uit een mengsel van "geschiedenisleraren, wetenschappers, archiefmensen, museummedewerkers en vrijetijdshistorici". Juist in die samenstelling kan die lichte afstandelijkheid gelegen hebben. Diverse museummedewerkers in den lande hebben weliswaar kennis gemaakt met en gebruiken LG in hun presentaties, maar dat kan niet gezegd worden van de andere groepen. In wetenschappelijke kringen is er zelfs twijfel en zelfs afkeer van LG te bespeuren, sommigen zijn er zelfs falikant tegen. In het forum moesten vier van de vijf aanwezigen daarom opboksen tegen de negatieve houding van het vijfde lid, een wetenschapper van de universiteit van Utrecht. Hij deed het voorkomen dat hij wat provocerend bezig wilde zijn, maar een deel van zijn uitspraken was toch niet mis te verstaan. Zo gaf hij aan de Nederlandse geschiedeniscultuur te bestuderen. Daaronder rangschikte hij ook het LG gebeuren. Toch zei hij tijdens de discussie dat als hij ergens verklede mensen een LG of Re-enactment opvoering zag houden, hij rechtsomkeert maakte. De vraag is dan natuurlijk hoe je het fenomeen kan bestuderen als je weigert er dichtbij te komen. Nu is natuurlijk niet elk LG evenement er een op hoogstaand historisch niveau. Laten we wel wezen; ook tScapreel heeft als deelnemer op cultuur-historische evenementen gestaan waar de rest van het gehalte bedroevend laag was (zie o.a. mijn vorige column). De leek, maar klaarblijkelijk ook de wetenschapper, kan dan de fout maken de hele boel over een kam te gaan scheren. Te meer omdat uit de recente literatuur blijkt, en zoals ook weer bij de organisatie van de Geschiedenisdag te merken was, dat er nogal wat verwarring bestaat over wat nu eigenlijk LG is. Als je volksdansfestivals, bruine ambachten braderieën, historische optochten en de inname van Den Briel, zoals die elk jaar door de VVV aldaar georganiseerd wordt, met LG gaat verwarren, dan is het logisch dat je het gebeuren niet al te serieus gaat nemen. En als je RE met LG gaat vergelijken eveneens. Misschien moet ik dat laatste uitleggen. RE wil zoveel zeggen als het heropvoeren van een in het verleden plaats gevonden hebbende gebeurtenis. Dat kan een kroning zijn, een rechtzaak, een banket, een politieke moord of een veldslag. De eerste vier onderwerpen zullen de vorm van een opgevoerd toeneelstuk aannnemen, maar de laatste, de veldslag of een ander deel van een oorlog (een belegering, een kamp of een mars) kan er heel wat minder statisch of theatraal uitzien. Het is misschien niet toevallig dat zowel in Engeland als in Amerika al 30 jaar geleden burger- of vrijheidsoorlogen onderwerpen voor re-enactment waren. Enthousiastelingen die met gereconstrueerde zwartkruitwapens schoten, wilden dat wel eens in een historische context doen en speelden, oorspronkelijk zonder publiek, die bewuste slagen na. Ze reconstrueerden daarbij dan ook de uniformen of kleding, de verdere kostuumaccessoires en voorwerpen die daarbij hoorden en op den duur konden ze zelfs de kampementen van die soldaten neerzetten. Die laatste onderdelen zijn het LG aspect van RE. RE heeft dus wel degelijk LG kanten (onderzoek, reconstructie, uitvoering en soms zelfs educatie) maar het was, en is dikwijls nog, niet het uitgangspunt van de wederopvoering. Het is een show, die passief genuttigd kan worden. En als je geluk hebt (en dat komt steeds vaker voor) kun je in het kamp, achteraf, nog wat uitleg krijgen. Maar RE heeft nog steeds een hoog militair gehalte en veel beoefenaars zijn niet in de eerste plaats geïnteresseerd in het educatieve aspect van hun hobby. LG, zoals ik tijdens mijn deelname aan het genoemde forum gepassioneerd heb proberen over te brengen, staat of valt naar gelang zijn communicatieve kant klopt. Als we LG beoefenen proberen we het publiek (want zonder publiek werkt het niet) duidelijk te maken hoe het vroeger toeging. Niet omdat wij dat zo goed weten, maar omdat wij denken dat er nog een heleboel over de geschiedenis uit te leggen valt. Omdat het publiek dikwijls heel rare denkbeelden over het verleden heeft. Omdat we mythes, die allang door de wetenschap zijn ontmaskerd, willen nuanceren voor mensen die diezelfde mythes allemaal nog op school hebben geleerd. Omdat het beeld van het verleden onder clichees, vooroordelen en een Hollywood-vernis gebukt gaat. Omdat het tijd wordt dat mensen zich gaan realiseren dat hun eigen voorouders tot de geschiedenis behoren en er (ongeveer) zo uitzagen als wij hen laten zien in plaats van dat ze in fluwelen gordijnen en antimakassars rondliepen. Wij weten ook wel dat dat nooit voor 100 % authentiek kan. Dat is ook een van de zaken die de wetenschap ons verwijt; we zetten een sprookje neer. Wij zien er niet uit als onze vooruoders. We zijn te groot en te weldoorvoed, hebben een te gave huid en te regelmatige tanden en kiezen, de stof van onze gereconstrueerde kleren is niet met de hand gesponnen en geweven en de kleuren zijn afkomstig van verven op chemische basis niet van planten. Etcetera, etcetera. Tja. Dat weten wij natuurlijk ook wel. Trouwens, ook het publiek weet wel dat wij geen mensen uit de Romeinse tijd, de Middeleeuwen of de 17e eeuws zijn en dat wij, als wij onze historische spullen uittrekken, weer in jeans en T-shirt lopen, in de auto of trein stappen, thuis een douche nemen en voor de tv neerzakken. Maar daar gaat het niet om. Wij laten een illusie zien, dat weten wij maar al te goed, maar dat beeld is wel gebaseerd op gedegen onderzoek, op langdurig experimenteren en veel praktijkervaring. En wat authentiek kan, doen we authentiek. Bij een echte LG-er zul je daarom geen moderne bril zien, of moderne sieraden, make-up waar dat niet hoort, of anachronismen in het kamp of in de kleding. Als er door LG-ers in de openlucht of in een historisch pand gekookt wordt, is het vuur echt, zijn de kookpotten goede replica's en zijn de grondstoffen in de gekozen periode inheems en gebruikelijk in de voeding. Onze ambachtmeesters werken met gereedschap zoals dat in de voorgestelde periode bestond, met materialen die toen gebruikt werden en de resultaten zijn zo goed als niet te onderscheiden van de producten zoals die nu nog in musea zijn terug te vinden of zoals ze door archeologen worden opgegraven. En dat geldt dus niet alleen voor tScapreel, maar ook voor de betere, bij het LPLG aangesloten verenigingen. En dat was afgelopen zaterdag goed te zien. Ook voor die wetenschapper uit Utrecht, maar of hij daarvoor al gevlucht was, weet ik niet. Helemaal aan het eind van de forumbijeenkomst stond een man uit het publiek op. Ik meen dat hij zich als museummedewerker voorstelde. Hij had zich duidelijk aan de negatieve houding van de wetenschapper zitten ergeren en kwam met een kernachtige omschrijving van wat LG is. Hij vond het concept te vergelijken met een historische roman. Er zijn goede en slechte romans te vinden, maar voor de goede zijn dikwijls bijzonder grondig de relevante bronnen onderzocht en in het verhaal verwerkt. Dat er soms wat 'short-cuts' worden genomen met tijd, personen en gebeurtenissen om het verhaal lopend te houden, is dan niet aan de orde. Het is van veel meer belang dat de lezer op een onderhoudende, maar verantwoorde wijze wat leert over de geschiedenis. Het is dan aan hem- of haarzelf, eventueel met hulp van de door de schrijver geraadpleegde en genoemde bronnen, of hij/zij al dan niet zich verder in de echte historie wil verdiepen. Ik ben het hartgronding met die omschrijving eens, want ik zal echt niet de enige zijn geweest die o.a. door middel van het lezen van historische romans (die echt niet altijd zo goed waren) 'aan de geschiedenis is geraakt'. Henk 't Jong 3.11.2003 Musea hebben in recente publicaties te kennen gegeven dat ze wel wat zien in Levende Geschiedenis (LG). Dat is fijn. Sommige musea, meestal openluchtmusea, doen trouwens al jaren aan LG. Dat is leerzaam. Elders heb ik al aangekaart dat dat niet in de eerste plaats uit educatieve motieven voortkomt, maar dat zeker het opkrikken van de bezoekcijfers een belangrijke reden is (en was). Markt- en marketingdenken dus. Daar is niets op tegen. Musea zijn toch voor een deel (zoniet geheel) afhankelijk van de verkoop van entreekaartjes. Maar hebben de (openlucht)musea hun bezoekers gevraagd of ze vanwege de invoering van dit nieuwe concept dan wel een kaartje kopen. En achteraf, wat ze ervan vonden? Ik betwijfel het. Wilde het publiek wel LG? Wist het wel wat dat was? Ik heb de eerste bezoekers Archeon binnen zien komen in mei 1994 en die wisten toen echt niet wat ze moesten verwachten. Het was ze dan ook niet meer dan met mondjesmaat verteld. De meesten wisten niet wat ze zagen toen ze die verklede mensen in de diverse gebouwen tegenkwamen. En dat je ze aan kon spreken of ze zelfs iets kon vragen was een zeer onwennige ervaring. Dat eerste seizoen moesten de Archeotolken dan ook echt bezoekers uitnodigen om wat te vragen. Ze moesten ze zelfs binnen lokken, want anders zouden ze voor het venster of de open deur zijn blijven staan. Het feit dat er in diverse huizen diverse mensen in historische kleding zaten te koken of te werken nodigde echt niet uit om zomaar binnen te stappen. Het leek natuurlijk erg op het plompverloren op bezoek komen bij een wildvreemde. Dat doet een Nederlander niet gauw. Het is zelfs nog moeilijker om mensen die in een middeleeuws huis zitten te eten - wat toen gebeurde en nu weer af en toe - te storen bij die maaltijd. Terwijl een correct uitziende en genuttigde middeleeuwse maaltijd juist een kans bij uitstek is om wat over vroeger te leren. Het is ook een uitmuntende aanleiding tot het stellen van vragen over eten, eetgewoonten en voedselbereiding. Daar wordt in de populaire literatuur immers allerlei onzin over verteld? De eters moeten bezoekers echter letterlijk uitnodigen om binnen te komen en dan nog zijn ze dikwijls al weer snel weg. Duidelijk is dan dat ze zich in zo'n situatie niet op hun gemak voelen. Datzelfde principe geldt ook voor de nog intiemere en tegelijkertijd minder exotisch uitziende locaties van het Enkhuizer Buitenmuseum en de Mannenzaal in Amersfoort. De spelers hebben namelijk naast het feit dat ze in kleding van net 100 jaar geleden lopen ook nog eens de handicap dat ze mensen spelen die arm en/of oud zijn. Zo wordt museumbezoek wel erg een inbreuk op de privacy van 'zielige' mensen. Vele bezoekers moeten dan echt een hindernis over. Nu, tien jaar later, is dat probleem al veel minder geworden. Er heeft duidelijk gewenning plaats gevonden. Soms zelfs, slaat de houding van bezoekers om naar het tegenovergestelde en zijn ze uitermate vrijpostig en vervelend tegen de gastvrije spelers. Vindt men LG in musea daarom leuk? Jazeker. Iedereen die ik erover gevraagd heb is het er wel over eens dat het verlevendigen van een locatie of de uitleg van een in periode kostuum gehulde speler veel toevoegt aan museumbezoek. We kennen allemaal wel het gevoel dat je, staande in een ruïne van bijvoorbeeld een kasteel, je probeert voor te stellen hoe de 'ridders en jonkvrouwen' daar rondliepen in de Middeleeuwen. Het tijdreis-syndroom, noem ik dat. Nu kun je dat dus op verschillende plekken in binnen- en buitenland zien. Wie had dat ooit kunnen denken? Ik niet. Maar ik hoopte er wel op dat het ooit zou gebeuren. Het is ook niet voor niets dat ik aan de wieg van veel van dergelijke initiatieven in Nederland heb gestaan. Het is allemaal voortgekomen uit dat gedroom op historische locaties uit de jaren 50 en 60. Natuurlijk zijn er nog steeds genoeg mensen die dat gevoel nooit hebben gehad en die gewoon, onvoorbereid, zo'n LG gebeuren in een museum of elders binnenstappen. Of die mensen die helemaal niets met geschiedenis hebben, maar die toevallig op een druilerige dag tijdens de vakantie zo'n museum bezoeken (je moet toch wat, het is droog en warm en je kunt er een kop koffie drinken). Of kinderen die er voor de punten van hun CKV profiel naar toe gedreven worden. Of allochtonen aan wie de Nederlandse geschiedenis helemaal niet besteed is. Daarbij zijn er waarschijnlijk nog genoeg Nederlanders die nog nooit LG van dichtbij gezien hebben en die er ook zelden of nooit mee te maken zullen krijgen. Maar waarom vinden mensen LG dan leuk, behalve dat het 'wat toevoegt'. Nieuwsgierigheid naar hoe het vroeger was en zo een adequaat antwoord krijgen? Wantrouwen over wat men zelf geleerd heeft en een zoeken naar hoe het werkelijk was? En dan natuurlijk hopelijk een oplossing vinden. Of zijn er meer subjectieve redenen? Nostalgie? Alternativisme? Idealisme? Escapisme? Misschien is het wel een combinatie van al deze dingen. In ieder geval is LG altijd bedoeld om de mythes die over de geschiedenis bestaan uit de wereld te helpen. Daarom zit er ook altijd een duidelijk educatieve kant aan. En het gaat ook altijd over mensen. De spelers stellen je eigen voorvaderen voor in, dikwijls, heel herkenbare situaties. Dat zorgt in veel gevallen voor 'aha-erlebnissen' die de gemiddelde bezoeker duidelijk maken dat de geschiedenis misschien een vreemd land is, maar dat je er wel degelijk op bezoek kunt gaan. En met de bewoners een praatje kunt maken. Henk 't Jong Het lijkt wel of er steeds meer geschiedenis te zien is op TV. Bij ons kunnen we Discovery Channel en National Geographic Channel ontvangen en daarop word je, afgewisseld met natuurprogramma's en sleutelen aan auto's, ermee doodgegooid. Maar ook de BBC (met onlangs de leuke serie Medieval People van Terry Jones), België en zelfs de Nederlanden 1, 2 en 3 zien er geen been in om buitenlandse historische documentaires uit te zenden. En soms komt er wel eens wat uit eigen keuken op de buis. Het programma Andere Tijden is daarvan al een paar jaar een goed voorbeeld. Toch werd juist in de programmabladen van twee van de op Nederland 3 opererende omroepen, de VARA en de VPRO, afgelopen maand (maart 2004) de discussie aangezwengeld dat wij eigenlijk maar bitter weinig met onze geschiedenis doen. In de VARA gids constateert ene Auke Hulst dat het in Engeland allemaal veel beter gebeurt en er is vooral veel meer van. Ad van Liempd van Andere tijden zette daar een week later tegenover dat in diverse landen de omroepen hele geschiedenis-afdelingen hebben en Nederland heeft niets. Wij zijn te klein en er wordt in het buitenland, door die historie-TV makers, een beetje meewarig op ons neergekeken. Jan Marijnissen van de SP pleitte in de VPRO gids voor een Nationaal Historisch Museum en verwees naar het bedroevend lage cijfer dat de leden van de Twwede Kamer in 1986 bij een Nationale Geschiedenis Quiz haalden: een 4,5 gemiddeld (Jan had een 6+). Maar is het allemaal wel zo erg? Ik zei al dat op DC en NGC de historische documentaires je om de oren vliegen en dat veel van die dingen op den duur ook bij ons en op de BBC te zien zijn. Nederlanders schijnen daar toch in ruime mate naar te kijken, als ik de reacties in mijn omgeving peil (en dat zijn echt niet allemaal historie-freaks). Ook de BBC documentaires hebben hier wel hun publiek en volgens de bovengenoemde schrijvers heeft Andere Tijden toch een aardig kijkcijfer voor een geschiedenis programma. En heb ik het nou mis of was de historische afdeling van het Rijksmuseum (nu helaas voor verbouwing gesloten) ons Nationale Geschiedenis Museum? Gek is ook dat de eerder genoemde schrijvers pleiten voor meer kennis van onze nationale helden en, eventueel, onze zwarte bladzijden, want daar schijnt het nogal aan te mankeren. Nou daar zijn we dan niet de enigen in, want zelfs in Engeland is die kennis bedroevend laag. Juist deze week publiceerde men daar een onderzoek waarin naar de geschiedkundige know-how van de volwassen Brit werd gevraagd. De uitkomsten waren schokkend. Velen dachten dat de slag bij Hastings nooit had plaats gevonden, dat Adolf Hitler een 'fictional character' was, maar dat Robin Hood echt bestaan heeft. Dat Harold Wilson het Verenigd Koninkrijk redde gedurende de laatste wereldoorlog en dat Conan the Barbarian een echte krijger uit de Noordse historie was. Ook dacht een merendeel van de ondervraagden dat Braveheart een door Hollywood verzonnen held was en dat Winston Churchill een net zo fictief figuur was. En dat in het Engeland van die mooie historische documentaires... Kijken ze er daar dan zelf niet naar? Of hebben de invullers van de enquete geintjes zitten maken? Ik wantrouw enquètes beroepsmatig, en een onderzoeksinstantie werd niet genoemd, dus hoe bonafide zo'n onderzoek is weet ik niet. Maar het zegt wel wat. Zo zie je maar weer dat wij Nederlanders niet de enigen zijn die weinig van hun geschiedenislessen op school hebben onthouden. En ik heb me laten influisteren dat het elders in Europa niet veel anders is. Of dat sommige Europeanen ook nu nog afhankelijk zijn van de nationalistische propaganda die nog steeds nauw met nationale geschiedenissen verweven is, wat echte historici daar ook aan proberen te doen. Want zeg nou zelf: wie is er echt geinteresseerd in het onthouden van jaartallenrijtjes, stambomen van heldhaftige vorsten of de redenen voor de honderden bloederige veldslagen die er in het verleden geweest zijn? Niet veel mensen, denk ik. Het is goed dat de kennis erover bewaard blijft. Maar als je deze cijfers, mensen en gebeurtenissen niet in hun context kunt plaatsen, omdat je dat nou eenmaal niet geleerd hebt, dan blijft het ook niet hangen. En gezien het lesprogramma betreffende geschiedenis op middelbare scholen (ik geef ze maar hun 'ouderwetse' titel) zal dat ook niet snel veranderen. Ikzelf denk dat we nou eindelijke eens van al die heldenverering afmoeten. Natuurlijk zijn diverse historische persoonlijkheden belangrijk geweest voor de ontwikkeling van een land, maar je kunt pas begrijpen wat ze deden als je weet wat voor effect hun optreden op de bevolking had. Het is daarom, lijkt me, niet zo'n gek idee om meer uit te gaan van de positie van de gewone man in zijn dagelijks leven. Daaraan kun je historische ontwikkelingen afzien en van daaruit kun je nagaan hoe die zo ontstaan zijn. Om dan uiteindelijk op de grotere processen uit te komen die, soms onder invloed van het ingrijpen ten goede of ten kwade van 'historische helden', plaats vonden. Het is niet voor niets dat het grote publiek zeer geinteresseerd is in de stamboom van zijn eigen familie, in hoe opa leefde voor de oorlog, in wat er voor uit de keuken weggegooid spul door archeologen uit beerputten wordt gehaald (en de tentoonstellingen daarover, mits, weer, in context gebracht) en in TV series als 'Toen was geluk heel gewoon' over de vroege jaren '60 in Rotterdam, maar dan komisch. Geschiedenis dat zijn je voorouders. En die leefden zowel in de Middeleeuwen als in de jaren '60. En die sliepen, aten, werkten, ruzieden en feestten net zoals wij. Maar dan een beetje anders. En als je dan weet hoe je eigen super-bet-overgrootvader en -moeder in hun bedoeninkje gedurende een bepaalde periode leefden, dan wordt het misschien interessant om te weten of ze die-en-die oorlog ook meegemaakt hebben of die-en-die graaf ooit voorbij hebben kunnen zien komen. Ik denk nog wel eens aan de zwart-wit (tenminste: ik heb hem in zwart-wit gezien...)TV serie 'De dynastie der kleine luyden' van Willy van Hemert uit 1974-75 die een beeld gaf van gewone mensen die tijdens belangrijke gebeurtenissen in de periode 1250-1477 hun leven leidden. Ik kan me er niet veel meer van herinneren, maar sommige scenes hebben wel indruk op me gemaakt. Ik denk namelijk dat die serie nogal wat invloed heeft gehad op hoe ik tegen historische educatie aankijk. Geen kritiekloze verering van nationale helden, maar het in hun tijd en wereld plaatsen van gebeurtenissen waarin ze voorkwamen. Zodat je op den duur gaat begrijpen hoe zij en hun onderdanen tot de activiteiten kwamen die deel uitmaken van onze geschiedenis. Dan leeft geschiedenis pas en wordt het geen gortdroge feitenbrij. En dan tegelijk maar eens stoppen met de geheimen van de pyramides, het kwijtraken van de heilige graal en wat de tempeliers allemaal deden of niet. Want geschiedenis moet wel degelijk, maar laten we het dan een beetje dichter bij huis houden. Want dat kan zeker zo interessant zijn. Ook in Nederland. Henk 't Jong 9.4.2004 "Dat het écht gebeurd is en dat zij vroeger op deze grond heeft gelopen." Dit is zomaar een reactie van een jonge bezoeker van het Anne Frank Huis in Amsterdam (Trouw, 9.6.2004, 15). En hij verwoordt perfect het Geschiedenis-gevoel. Ik weet nog goed dat ik dat voor het eerst, bewust, ook had. Ik fotografeerde in 1978 schepenzegels op het Dordtse Stadsarchief (toen nog de Gemeentelijke Archiefdienst) en had een charter uit 1345 in mijn handen. Plotseling ging het door me heen dat dit stuk perkament met al die zegeltjes eraan de pestepisode meegemaakt had die later de Zwarte Dood werd genoemd (1348-50). Dat de man die het geschreven had er misschien aan gestorven was, of, als hij het had overleefd, in ieder geval mensen eraan had zien sterven. Dat er misschien nog wel resten van pestbacillen in het perkament zaten (onzin, natuurlijk, dat ding was sinds die tijd al tientallen malen gelucht, gereinigd en ontsmet) en ik kreeg er kippenvel van. Ik zag letterlijk de eeuwen als in een soort trechter teruguit vliegen en voelde een bijna fysieke verbondenheid met de schrijver van die mooie kriebelige gotische lettertjes die ditzelfde charter (perkamenten bezegelde brief) in zijn handen had gehad. Ik heb die ervaring daarna nog diverse malen gehad op het Stadsarchief. Bijvoorbeeld bij het tegenkomen van de charters die de stadsbrand van 1336 hadden meegemaakt. De waszegels eraan waren of verdwenen of tot een onherkenbare klomp gesmolten en het perkament was meestal gekrompen door de hitte. Of bij het in mijn handen houden van de rollen stadrekeningen uit 1283-87, die zoveel vertellen over het dagelijks leven in Dordrecht in die tijd. Of bij het vasthouden van het oudste archiefstuk van de stad: een onooglijk stukje perkament, ook door de brand aangetast. Er staan een paar regels latijnse tekst op die zijn opgeschreven in februari 1200. Het plaatsje Thuredrecht, dat nog niet eens een stad genoemd kan worden, heeft dan al een wantsnijders- of lakenkopershanze! En dat zijn dan de wat meer spectaculaire zaken. Ik heb dat gevoel door de loop van de tijd nog heel veel keren ondergaan. Eigenlijk gebeurt het me steeds meer. Want, als je je het maar realiseert, ben je constant omgeven door geschiedenis. Elk stukje grond waar je op loopt vertelt een verhaal, als je maar weet hoe je moet luisteren. Hoe meer je weet van de geschiedenis van je omgeving, hoe meer je erachter komt dat je eigenlijk alleen maar de meest recente persoon bent in een lange rij voorgangers die dezelfde omgeving als jij hebben bevoikt. Dit mag een dooddoener lijken, maar lang niet iedereen realiseert zich dat. Zelf ben ik meermalen degene geweest die mensen daarvoor de ogen geopend heeft. Ik kan me nog goed de gezichten herinneren van de mensen uit de gloednieuwe wijk Sterrenburg op het Eiland van Dordrecht die bij mij een cursus 'Geschiedenis dicht bij huis' volgden. Ze waren hogelijk verbaasd dat de grond waarop hun net gebouwde huizen stonden voor 1421 tenminste een paar dorpen met landerijen, wegen en sloten had bevat. Ze wisten meestal wel dat toen de Elizabethsvloed heeft huisgehouden en dat wat nu een eiland is daarna onder water was komen te staan. Een enkeling realiseerde zich ook dat vanaf het begin van de 17e eeuw dat moeras weer was ingepolderd en bij die gelegenheid een heel andere akker en wegenpatroon had gekregen. Maar dat er ook middeleeuwers hadden rondgelopen, nee, daar hadden ze gek genoeg niet aan gedacht. Gelukkig kwamen de bewijzen net in die tijd ook uit de grond. Bij Dubbeldam (al sinds 1970 in Dordrecht opgegaan) werd namelijk de begraafplaats van het in 1421 verlaten gehucht Erkentrudenkerke opgegraven. Konden ze ook nog gelijk zien dat de middeleeuwers niet zo klein waren als ze altijd gedacht hadden. Mensen die 'stamboomonderzoek' (eigenlijk genealogisch onderzoek) doen en die zich niet alleen bij namen, woonplaatsen en data houden, komen ook automatisch met die geschiedenis in aanraking. Zeker als ze gaan uitzoeken wat voor onderdelen hun voorouders van de bekende vaderlandse historie zelf hebben meegemaakt. Dat wil ook nogal eens voor het Geschiedenis-gevoel zorgen. Al dit soort ervaringen zijn heel authentiek. Al kun je door het verkeer, moderne architectuur, schreeuwerige reclame en hel verlichte winkelpuien niet helemaal meer zien hoe een historische stad er een aantal honderden jaren geleden uitgezien heeft, er is meestal nog genoeg bewaard om er tenminste een goed idee van te krijgen. Door het gerbuik van oude kaarten en plattegronden zijn wegen en straten te reconstrueren, evenals de plaats waar sommige gebouwen gestaan hebben. Het verantwoord en liefdevol restaureren van die gebouwen kan het oorsponkelijk beeld ervan terugbrengen. Replica's en reconstructies in musea kunnen een beter beeld geven van hoe de beschadigde fragmenten van alledaagse gebruiksvoorwerpen er oorsponkelijk uitzagen. Levende Geschiedenis, mits historisch verantwoord uitgevoerd, kan het hedendaagse publiek 'instant' Geschiedenis-gevoelens bezorgen, omdat het principe van de aanraakbaarheid van de geschiedenis daar een belangrijke aanjager voor is. Het Geschiedenis-gevoel is er echter niet mee gediend als de historie, bewust of onbewust, geweld wordt aangedaan. Of als de regering de hand op de knip houdt als het gaat om onderwijs en cultureel erfgoed. En zeker als het om tentoonstellingen of onderwijs voor kinderen gaat. Zoals het citaat aan het begin van deze column al liet zien: kinderen zijn zeer gevoelig voor echte gebeurtenissen. Het Geschiedenis-gevoel kan niet vroeg genoeg ontwikkeld worden. Kinderen zijn er daarom niet mee gediend om verkeerd voorgelicht te worden of om nog steeds, niet aan de laatste onderzoeken gerelateerde, verouderde onderwijsstof te krijgen. Geen uitgekauwde clichees, maar echte geschiedenis. Echt gebeurd, dus. En eerlijk gepresenteerd. Henk 't Jong Ik ken mensen die niet eens meer hun gas- of electraformuis (als ze dat nog hebben) gebruiken. Alles wat ze eten is 'genuked' in een microwave (of magnetron; wat is eigenlijk het verschil?) en niet meer gekookt, gestoofd, gebakken of gesudderd. Ze halen kant-en-klare maaltijden uit de schappen bij Appie, of laten een pizza komen of gaan uit eten. Het kost wel wat, maar het is wel lekker makkelijk en gaat zo snel: echt Fast Food. Ik ken ook mensen die daarvan gruwen en die elke dag zeer verantwoorde, zelf gekookte maaltijden bereid uit verse producten op tafel brengen. We zouden niet in de 21e eeuw leven als ook daar geen moderne Engelse uitdrukking voor was: Slow Food. Gewoon zelf koken met normale waren, zou ik zeggen. Die naam, Slow Food, is echter niet uit de Angelsaksische landen afkomstig, maar uit Italië. Het is niet voor niets dat daar deze maand zelfs een internationale beurs over gehouden wordt. In Turijn vindt al weer de 5e Salon van de Smaak (Salone del Gusto) plaats, georganiseerd door de Italiaanse organisatie met diezelfde naam: Slow Food. Italië is natuurlijk hét land van lekker eten met eerlijke producten. De Slow Food organisatie geeft zelfs keurmerken, de Presidia. In dat land zijn er niet minder dan 130 producten die die eretitel verdienen; denk maar aan waren als Parma ham, Peccorino en Parmezaanse kaas of de diverse typerende wijnen. Maar er zijn ook Presidia verleend aan waren uit andere gebieden in Europa, Australie en zelfs de USA. Zelfs in Nederland is er een kaas die dit begeerde etiket heeft. Slow Food is dus in. Het lijkt erop dat men het idee een trendy naam heeft gegeven om zich af te kunnen zetten tegen de al veel langer bestaande Fast Food trend. Eten uit de muur of de magnetron kennen we natuurlijk al een hele tijd, maar de steeds luider klinkende berichten over het ongezond zijn ervan, de daaruit voortkomende aanvallen op McDonalds en aanverwanten en de uit de de USA overwaaiende (nou ja...) dikke-mensen-ziektes hebben er nog eens extra de nadruk op gelegd. We moeten af van het Zap-gedrag wat de voedselinname betreft, en terug naar het ouderwetse gezonde eten. Een sympathiek idee, vind ik. tScapreel heeft ook te maken met Zap-gedrag. Vooral van opdrachtgevers. Er zijn (en waren) diverse organisatoren die spectaculaire Middeleeuwen-shows bij ons bestellen. Het liefst willen ze grote riddertoernooien met veel glans en glitter, gejuich, (ingeblikte) symfonische muziek en commentaar via de luidsprekers, omlijst door vlammende fakkels, rookmachines, ballet van middeleeuwse maagden, een heksenverbranding, magiërs die mensen laten verdwijnen, alsmede luid trompetterende 'herauten' plus afzichtelijke pestlijders, het geheel afgesloten met een vuurwerk. Dat is pas een evenement! tScapreel kan dat niet leveren. We willen dat ook helemaal niet. We willen niet tegemoet komen aan het idee dat Hollywood, Joop van der Ende en al die andere klank- en lichtspelen de mensheid over de Middeleeuwen hebben ingeprent. Zo waren de Middeleeuwen niet en we doen daar dus niet aan mee. Daar verspelen we wel opdrachten door en, waarschijnlijk, heel veel geld, maar we wensen niet mee te werken aan Zap History. Ons laatste buitenoptreden van dit jaar, in Alkmaar op 4 oktober, bracht me de reden waarom weer eens duidelijk onder ogen. Op het mooie Waagplein stonden drie uur lang 12 ambachten en speelden acrobaten, een nar, Wronghel & Wei en wat acteurs. Ze lieten zien hoe ambachten en entertainment er rond 1300 uitzagen. Geen rookwolken, geen vlammen (behalve van een paar vuurtjes, ook zo'n ongewoon gezicht in een moderne stad), geen geweld of luide muziek (W&W werd soms zelfs overstemd door een draaiorgel op een brug een paar honderd meter verderop) en geen wilde of spectaculaire stunts. En de mensen waren enorm verrast! Ze konden rustig alles bekijken, hun vragen stellen en soms meedoen, kinderen kregen helmen op, mochten met de acrobaten meedoen, zagen nar en muziekinstrumenten van dichtbij, mensen werden toegezongen en betrokken bij het excerceren van de stadswacht. Prachtig vonden ze het. De commentaren logen er ook niet om. 'Nooit gedacht dat de Middeleeuwen zo normaal waren." :...dat die beroepen en technieken er zo logisch uitzagen...", " Konden ze dat echt al in die tijd?", "Jullie weten zoveel, en jullie brengen het op zo'n leuke manier; net echt." (en alles bij ons is echt!) en, nog bevredigender, "Jullie zijn zo'n leuke ploeg bij elkaar, het lijkt wel of jullie een grote familie zijn." Vooral dat laatste beschouwen we als een groot compliment. Soms twijfel ik wel eens of onze boodschap overkomt: laat de Middeleeuwen zien zoals hij echt was (voor zover we dat kunnen weten, natuurlijk). Maar elke keer als we weer in zo'n mooi oud stadscentrum staan en we krijgen al die complimenten van echt dankbare mensen, dan weten we het weer. Ook de huidige Zap of Fast Food generatie kan dus naar Slow Food teruggebracht worden. Het is veel lekkerder; dat kun je zelf proeven. En onze branch van Slow History is veel bevredigender om te consumeren dan al die Fast History evenementen die het publiek maar, met de mond openhangend, passief moet ondergaan. Niks geen participatie, geen informatie, geen educatie en vooral geen gevoel van "zo was het echt!". En de volgende keer heb je nog meer spektakel nodig om niet afgestompt te raken. Kom maar naar de evenementen waar tScapreel bij aanwezig is, dan proef je nog eens wat anders. Prima gelegenheden om te 'onthaasten' ook... Henk 't Jong Ik ben verdrietig. Waarom? Om de Middeleeuwen. Want het is niet eerlijk: vroegere en latere periodes krijgen in musea veel betere exposities dan "mijn" Middeleeuwen. Als ik op zo'n middeleeuwse tentoonstelling rondloop zie ik altijd fouten. En dan zien de verbaasde suppoosten me weer driftig in een kladblok krabbelen. En dan ontvangen museummedewerkers of -directeuren weer boze brieven van me. Dat ze de Middeleeuwen weer zo'n slechte pers geven (net als de pers zelf doet, trouwens...) en dat er weer niks van klopte. Waarom moet dat nou? Bierkaaienwerk, vind ik het inmiddels.
Bij gesprekken met de verantwoordelijken voor tentoonstellingen
blijkt altijd weer hetzelfde. "Ja, je hebt wel gelijk. Of:
ja, maar daarover verschillen de geleerden van mening, maar...
En dan komen alle redenen. Of smoezen. Weinig geld. Haastwerk.
Dat ziet de bezoeker toch niet. De vormgever wilde 'Middeleeuwen
met een knipoog'. Wat haat ik die zinsnede! Je doet toch ook
niet 'Napoleon met een knipoog', 'Slavernij met een knipoog'
of 'Westerbork met een knipoog'? Hebben de conservatoren schuld
aan dat zich steeds maar herhalende beeld? Of de inrichters van
de tentoonstellingen? Of de illustratoren? Misschien zijn ze
allemaal verantwoordelijk, maar kunnen ze er ook niet veel aan
doen. Want bijna iedereen is met dit soort beelden uit 'middeleeuwse'
Hollywood films opgegroeid. Ridders op zo'n brede paleistrap
om lekker op te kunnen zwaardvechten, weet je wel? En musea nemen
dat beeld dan weer over en vinden dan dat ze de geschiedenis
geen geweld aandoen. Maar folkloristische kostuums in de oudheidkamer
kloppen, een als in de jaren vijftig ingericht kruidenierswinkeltje
ook, de grafgiften van een laat-Egyptische farao kloppen en ook
het galon op het uniform van een vroeg 19e eeuwse fusilier. Want
anders staan na de opening kenners op de stoep en eisen verbetering.
Waarom mag ik dan niet zeggen dat de riem van een 15e eeuwse
krijgsman smaller hoort te zijn of dat er geen straat dwars door
een kerk liep? Henk 't Jong deze column verscheen eerder
in Museumvisie, jrg 29 (2005) nr 3, 15) De eerste keer dat ik me realiseerde
wat voor functie een historisch museum eigenlijk heeft was ik
op bezoek bij familie in Canada. Het was 1978 en vrienden namen
ons mee naar een museum in een klein plaatsje in de provincie
Ontario. Het hele museum bestond uit niet meer dan een lokaal
in iets dat op een leeggehaald houten kerkje leek, of dat misschien
wel een een-klassig schooltje was zoals je ze in Amerika wel
vaker ziet/zag. Het bleek een soort oudheidkamer, volgestouwd
met memento's van immigranten. Het viel me zwaar tegen en ik
deed er tegen mijn vriendin, nu al weer ruim 25 jaar mijn vrouw,
een beetje denigrerend over. Och, ik was nog jong, nog geen dertig;
ik heb veel bijgeleerd sindsdien. Toch bleef me één
ding van dat bezoek bij: een oer-Nederlands groen geëimailleerd
zand-zeep-soda stelletje. Ik kan me herinneren dat ik er toen wat lacherig over deed. Spul dat bij mijn oma's gewoon in de keuken had gehangen was hier een museaal voorwerp. Het hing wel geheel uit context tussen oude foto's, cavalleriesabels en geborduurde bijbelspreuken en er werd (voor zover ik me herinner) niet eens uitgelegd waar het voor diende. Laat staan dat de woorden op de groene bakjes in hun houder vertaald waren of dat er echt schuurzand, zachte zeep en van die grote sodakorrels inzat. Hoe dus de Canadezen dit geheel hadden moeten interpreteren zal wel eeuwig de vraag blijven.. Toch zette dit voorval me toen aan het denken. Ik had geen hoge pet op van het tentoongestelde en de museale waarde van de expositie, maar ik kon me voorstellen dat Nederlanders die al sinds de jaren vijftig in Canada verbleven bij het zien van het zand-zeep-soda stelletje acuut door een zeer nostalgisch gevoel zouden worden bevangen. Ongeveer zoals ik dat gevoel onderging op de zolder van de Dubbelde Palmboom in Delfshaven bij het bekijken van de kapperszaak, het bovenhuis interieur of de speelgoedetalage uit diezelfde jaren vijftig. Nu is die opstelling een perfecte reconstructie van interieurs, met alles erop en eraan, en hing dat zand-zeep-soda stelletje een beetje verloren tussen de rest van de 'rommel'. Zo'n expositie was in de laten jaren zeventig gewoon nog zeer zeldzaam. Ik had een paar jaar voor 1978 het Kendal Museum aan de rand van het Engelse Lakedistrict bezocht. Het was dat jaar verkozen tot het beste museum van Groot Brittannië, omdat het een volledig nieuw concept had neergezet. In tamelijk kleine ruimtes had men gedeeltes van allerlei werkplaatsen en winkels neergezet die uit inmiddels verdwenen gebouwen in het stadje waren gehaald. Toen was dat nieuw en nogal sensationeel. Het was net of de ambachtsman of de winkelier net even weg was gelopen; de krullen lagen bij wijze van spreken nog onder de schaafbank (al weet ik niet meer of er werkelijk een timmerwerkplaats bij was). Ik was onder de indruk. En toch waren die ruimtes maar heel beperkt van oppervlak en waren er steeds maar twee wandjes, gedeeltelijk, opgebouwd, en wat spullen als werk- of toonbanken ervoor. Er werd eigenlijk veel gesuggereerd. Ik heb later veel volledigere reconstructies, zoals die in de Dubbelde Palmboom, gezien die een vollediger beeld gaven van 19e of 20e eeuwse interieurs. Of zoals in het York Castle Museum, waar ze een hele straat hebben nagebouwd, of het London Museum waarin een stukje Romeins Londen staat, met acteurs die bewoners spelen. Maar toch... je kreeg in Kendal al een zeer indringend beeld van hoe al die gereedschappen en ander spul samenhingen. Samenhang, daar gaat het om. Of op een meer wetenschappelijk niveau: context. Je kunt je niet bedenken waar een zand-zeep-soda stelletje voor dient als je niet weet hoe er gewassen werd voor de wasmachine wijdverspreid raakte. Dat is ook wat ik zo miste in een van de bekendste musea van middeleeuwse kunst en gebruiksvoorwerpen, het Musée de Cluny in Parijs. Ik was daar nog nooit geweest, wat voor iemand met mijn beroep eigenlijk niet kan, maar onlangs kreeg ik eindelijk de kans. Maar wat viel het tegen! Ik zag vele oude bekenden en heb ze ook gegroet met: "oh ja, die stond/hing hier...". Maar wat een ouderwetse uitstalling. Wat een gebrek aan samenhang. We liepen notabene in de stadsvilla van de abt van Cluny, maar aan niets behalve de wapenschilden van de bouwer op de consoles was te zien dat hier regelmatig een grote, religieuze heer verbleef. Het was in wezen net zo'n uitdragerij van, hier, middeleeuwse decoratie, meubels en gebruiksvoorwerpen als in dat museumpje in Canada. Alleen was het allemaal veel ouder, en daardoor zeldzamer, spul. Ik had veel liever een indruk gekregen van hoe die man en zijn bedienden en verdere huishouding hier aan het eind van de 15e eeuw woonden. Het probleem zal wel geweest zijn dat nu juist daarvan niet voldoende overgebleven is om die indruk te kunnen scheppen. En dan ben je op replica's aangewezen. Nu heb ik daar niets op tegen, maar in musea laten ze nog steeds liever de echte voorwerpen zien dan de nep. En misschien hebben ze wel gelijk, want dan wordt het toch meer een 'thema-uitstalling'. Toch weet ik het niet. Een tamelijk gaaf gebleven middeleeuws huis inrichten met namaak van de echte meubels en decoratie en daarnaast een super-moderne blokkendoos met mooi uitgelichte middeleeuwse museale voorwerpen kan toch ook? En die dan thematisch steeds op verschillende manieren bij elkaar zetten, voldoende interessante uitleg geven met toevoeging van goede illustraties uit de tijd zelf of reconstructietekeningen. Plus de nodige moderne mogelijkheden die museumbezoek steeds aantrekkelijker maken. Ik bedoel maar: de techniek is er, de replicamakers bestaan, de toeristen zijn te lokken en we hebben een overvloed aan echte oude spullen. Zoveel dat de meeste musea het overgrote deel van hun bezit in opslag hebben en het maar zelden te zien is. Inclusief zand-zeep-soda stelletjes. Waarvan ik trouwens vorig jaar een exemplaar terugzag in dat andere leuke Rotterdamse museum, het Schielandshuis. Nu hing het waar het hoorde: in een keuken van voor de oorlog. En er was uitleg bij. We zijn dus wel wat opgeschoten sinds 1978, maar ik ben toch benieuwd of dat Canadese museumpje nog bestaat en of ze inmiddels wat anders met het zand-zeep-soda stel hebben gedaan. Henk 't Jong 22 Re-enacterisms Vreemd woord voor de meeste lezers
van deze column, denk ik. Re-enacterisms. Kort gezegd
zijn het gebruiken die, zonder veel historische achtergrond,
ingeburgerd zijn geraakt bij groepen re-enacters, oftewel (weder)opvoerders
van historische gebeurtenissen. En re-enacters moeten
dan wel onderscheiden worden van hen die levende geschiedenis
bedrijven, al is een re-enactment ook een stukje levende
geschiedenis (maar zie mijn uitleg elders
op deze website). Voor de aangeveterde mouwen was het nog erger. In de 15e eeuw niets! Losse mouwen van kostba(arde)re stof werden wel over keursen met korte mouwen aangetrokken, maar die werden met één of een paar spelden vastgezet op die korte mouw. Pas een paar Italiaanse adellijke dames in de 16e eeuw tonen losse, geheel opengewerkte mouwen die met linten aan hun lijfjes vastzaten, maar ook daar zijn ze zeldzaam. Hoe kwamen die r-e's daar dan aan? Bij navraag bleek dat Engelse groepen hier de inspiratie zijn geweest. Met de introductie van het internet ontstonden steeds meer internationale contacten en diverse groepen uit Nederland en omgeving staken het Kanaal over om deel te nemen aan veldslagen, markten en historische shows zoals Kirby Hall. In 1999 heb ik bij dat laatste evenement uit 1995 daterende patroonboekjes gekocht waarin beide re-enacterisms voorkomen. Engeland, waar alles op dit gebied toch enkele decennia eerder is begonnen, werd en wordt toch nog steeds als het voorbeeld voor onze groepen gezien: als ze het daar doen zal het wel kloppen. Niemand nam en neemt de moeite om na te gaan waar de Engelsen hun info vandaan hebben. Dan krijg je dergelijke klakkeloze imitaties. In het maken van middeleeuwse kleding, vooral als je het goed wilt doen en alles met de hand afwerkt, zit veel tijd en dus geld. Het is daarom best te begrijpen dat als je kritiek op bovengenoemde praktijken krijgt je niet zomaar even een nieuwe keurs of wambuis gaat maken. Het is ook begrijpelijk dat je niet voetstoots van iemand als ondergetekende aanneemt dat je op het verkeerde pad zit, want de Nederlander is nu eenmaal eigenwijs en ik moet het eerst maar eens bewijzen. Die last ligt dan dus bij mij. Mijn dilemma is dan dat ik alle plaatjes zou moeten laten zien waarop je kunt zien hoe het echt was. Natuurlijk kennen de meeste r-e's (als ze enigszins serieus zijn tenminste) die plaatjes ook wel en voelen ze zich niet echt happy met hun naïeve aanname van dit type kleding. Vervolgens gebeurt er dus niks, want ik heb meestal geen invloed in de verenigingen die deze kleding propageren, en men kan mij daarom gemakkelijk negeren. Dan onstaan er opsplitsingen van deze clubs, of er ontstaan op die verenigingen gebaseerde nieuwe groepen, die, zonder nadenken, weer die aangeveterde mouwen en mouwloze wambuizen overnemen. En dan is er dus een bijna onuitroeibaar re-enacterism ontstaan. Is dat vervelend? Voor mij wel. Dit waren maar twee voorbeelden, maar er zijn er inmiddels veel meer. Ik hoef maar de hemden met gerimpelde hals en trekkoordjes (liefst afzakkend en blote schouders showend; ze komen ook in die Engelse patronenboekjes voor) of de capers of kleine linnen 'baby'mutsjes met brede aangeknipte banden te noemen die overal opduiken. En het lijkt wel of geen enkele vereniging er onderuit komt. Zelfs binnen de LHO, een zeer grondig werkende en van veel kennis en ervaring voorziene vereniging, vallen re-enacterisms waar te nemen. Ik vind dat pijnlijk. Maar wat erger is: het publiek dat op re-enactments en levende geschiedenis afkomt wordt zo op het verkeerde been gezet. De leek weet niet hoe het werkelijk was en neemt wat ze zien voor zoete koek, of tenminste als waar aan. Dan geef je dus niet kloppende historische voorlichting. Die op zijn beurt weer doorgegeven wordt naar andere leken. Enzovoorts, enzovoorts... Gedurende de laatste twee jaren ben ik steeds meer groepen tegengekomen waarin deze en andere, nieuwere, re-enacterisms te zien waren. Ik vind dit een verkeerde en zorgwekkende ontwikkeling. Hij heeft er in de eerste plaats voor gezorgd dat ik me niet meer thuis voel bij re-enactment evenementen, want ik zie gewoon te veel verkeerds en dat verpest voor mij het plezier erin. Dat is de reden dat ik niet erg actief in de levende geschiedenis meer ben. Een positief effect is echter dat we met onze patronen zijn gestart: als je die koopt en gebruikt weet je in ieder geval dat je, mits goed genaaid, goed gekleed gaat. Overigens heb ik in het weekend van 14 en 15 oktober nog wel als monnik meegedaan met de re-enactment van de slag bij Hastings (1066). Opvallend was dat de organiserende vereniging, The Vikings, door middel van zijn leden een groot aantal 11e eeuwse re-enacterisms liet zien en dat gold ook voor diverse andere verenigingen die zich daaraan hebben gespiegeld. Toch was het hoopvol om te zien hoezeer de LHO en het Duitse Franco-Flämische Kontingent juist bijzonder authentiek oogden. Dat gaf deze burger weer een beetje moed. En het blijft natuurlijk indrukwekkend om met meer dan 1000 man aan elke kant op het originele slagveld te staan. Henk 't Jong 23 Werkt levende geschiedenis? De geschiedenis is niet terug te halen; hij is voorgoed voorbij. En als we het al konden zouden we er waarschijnlijk niks van opsteken. Zelfs als we met een tijdmachine zouden kunnen kijken hoe de slag bij Waterloo echt verliep, wie Floris V de genadeslag gaf en hoe Bonifatius met de Friezen omging zodat ze hem vermoordden, zouden we onze moderne reacties en gevoelens niet kunnen uitschakelen. We zouden waarschijnlijk banaal denken dat het wel een ontzettende herrie was op dat slagveld, dat Muiderberg er veel anders uitzag dan in het heden en dat die achtste-eeuwse Friezen nog onverstaanbaarder waren dan ze nu al zijn. Het is zelfs de vraag of we dat soort ervaringen op een verantwoorde manier in onderwijs of wetenschapsbeoefening zouden kunnen verwerken. Hoe verder terug in het verleden, hoe verder van ons bed, oftewel ons referentiekader. Het is gewoon moeilijk om je verplaatsen in mensen die al eeuwen niet meer leven. Geschiedenis gaat immers over dode mensen die vreemde dingen deden in inmiddels zo goed als geheel veranderde omgevingen? Als je geschiedenis dus aanschouwelijk zou willen maken zul je je dus aan moeten passen aan de mogelijkheden die wij, nu, hebben. Maar waarom zou je? Voor een aanhanger van LG als educatiemiddel is dit misschien een vreemde vraag. Toch moet hij gesteld worden. Waarom? Omdat er na 15-20 jaar best eens geëvalueerd mag worden of LG wel werkt als het gaat om mensen dichterbij hun verleden te brengen. Voor mij is het een methode om het leven van onze voorouders dichterbij hun nakomelingen te brengen. Die methode is gebaseerd op de indringende werking van de tastbare werkelijkheid. Zegt een plaatje al meer dan 1000 woorden (bijna 1,5 A4-tje), een 'aanraakbare ervaring' zegt meer dan een novelle. Mits de uitleg die er mondeling bij gegeven wordt historisch klopt, beeld, geur en geluid authentiek zijn en, als er geproefd kan of mag worden, de smaak gebaseerd is op contemporaine ingrediënten. Voor mezelf ben ik ervan overtuigd dat LG dan werkt. Als het goed gebeurd, tenminste. En in die 'als' is de twijfel gelegd die ik de laatste tijd steeds meer voel. Ik twijfel echter niet aan de methode, maar wel aan de uitvoering. In eerdere geschriften heb ik al de nadruk gelegd op goede voorbereiding, grondige training, verantwoorde spullen en, vooral, voldoende geld. Gebrek aan dat laatste of de onwil om het eraan uit te geven, heeft veel LG projecten parten gespeeld en andere de das om gedaan. En was dat maar het enige. Ik heb ook al eerder de trend gespot dat die projecten dikwijls ontaarden in plat vermaak en de duidelijke gerichtheid op het binnenhalen van zoveel mogelijk inkomsten. Dat resulteerde dus in 'geschiedenis met een knipoog' en cateren voor het verwachtingspatroon van het publiek. Zo kon je musea schaamteloos al lang door de wetenschap ontkrachte vooroordelen en clichés zien toepassen in tentoonstellingen, video's en in optredens van acteurs en re-enacters (RE). Even een case-history uit onze eigen praktijk. Wij hebben een aantal jaren voor één van de bekendere Nederlandse kastelen tijdens de voorjaarsvakantie een volkomen verantwoorde middeleeuwse presentatie op het gebied van ridderbewapening, muziek en vermaak neergezet die enorm in de smaak viel en duizenden mensen trok. Door bezuinigingen werd ons echter opeens de wacht aangezegd en werden we vervangen door een RE vereniging die een flauw aftreksel van onze activiteiten vertoonde. Het gebodene ging daarbij mank aan alle historische informatie of betrouwbaarheid, die wij er wel in hadden zitten. Maar ze kostten wel de helft van ons. Het was een hard gelag. Er moet daarbij aangetekend worden dat de vereniging het tweede jaar al moeite had het vereiste aantal mensen te leveren, omdat de leden er al niet zo'n zin meer in hadden; ze moesten te hard werken. Dat krijg je dus met amateurs. En het publiek had dat best in de gaten en bleef in steeds groteren getale weg. Is LG in Nederland om dit soort redenen dan mislukt? Ik zou zeggen: in principe niet. Er zijn echter zaken die het uitvoeren en voortbestaan tegenwerken. Geld blijft een probleem, maar opdrachtgevers willen ook dikwijls te snel te veel. Een LG project heeft tijd nodig om te groeien. Een incidenteel of jaarlijks LG evenement moet publicitair goed begeleid worden wil het door het aangetrokken publiek recht van bestaan krijgen. Het helpt dus om je geld niet direct allemaal uit te geven, maar om het uit te smeren over, zeg, vijf jaar en dat in een gradueel oplopende wijze. Vermeerderende inkomsten moeten daarbij ook het project ten goede komen en niet afgeroomd worden voor minder goed lopende activiteiten. Een plan dat met zulke zaken rekening houdt, dat zorgvuldig begeleid wordt en waar voldoende geld voor uitgetrokken wordt om het geheel goed aan te kleden, heeft ontegenzeggelijk bestaansrecht. LG is geen tot leven gekomen geschiedenis. De Engelsen zeggen: "ït's no use flogging a dead horse" (het heeft geen zin een dood paard op te porren), dus dat moet je met die dode geschiedenis ook niet willen. Je moet wel de indruk wekken dat het echt is en tegelijk uit kunnen leggen waar je water bij de wijn doet. Je moet iemand een glimp kunnen geven van hoe het geweest had kunnen zijn, maar tegelijk niet suggereren dat dit het echt is. Daarom ben ik ook steeds meer tegen eerste persoons LG: het werkt niet als je niet uit je 'rol' mag vallen om vragen van de toekijkers te beantwoorden. Daarbij zijn Nederlanders belabberde acteurs die mij in ieder geval bij dat soort gelegenheden kromme tenen bezorgen. Wij zien er verder niet uit als onze voorouders, wij hebben dikwijs de materialen niet meer waar zij mee werkten en het publiek weet heus wel dat wij net zulke moderne mensen zijn als zijzelf. Maar dat het op onze manier (die van tScapreel dus ) werkt is wel zeker. Dat merken en horen wij op alle evenementen waar wij komen. Er zijn genoeg mensen bij wie we een vonkje aanblazen. Er zijn ook genoeg mensen die door ons in het onderwijs, de musea, de archeologie, de volkscultuur en de wetenschap terecht komen. En daar doe je het toch ook voor. Ja dus: LG werkt, maar je moet
er dan wel wat voor over hebben en verder vooral niet denken
dat je de geschiedenis tot leven kunt wekken. Wij zijn geen prinsen
die Doornroosje of Sneeuwitje wakker kunnen kussen. Daarom is
levende geschiedenis op dit moment misschien niet zo'n goede
term; het suggereert misschien meer dan mogelijk is. Er wordt
al gesproken over geënsceneerde geschiedenis (doet me te
veel aan toneel of film denken), maar ik voel steeds meer voor:
aanraakbare geschiedenis. 24 NJBG-lid over de middeleeuwen Quintin is twaalf jaar en al drie jaar lid van de Nederlandse JeugdBond voor Geschiedenis (NJBG). In Fibula 188, het heftig ‘opgeleukte’ magazine van die club, van zomer 2008 staat een interview met hem. Zijn leukste herinnering aan een uitje van de NJBG is die van een bezoek aan Archeon waar hij in ‘de riddertijd’ een riddertoernooi heeft bijgewoond. Nou vinden de steekspelen (jousts eigenlijk, maar wie weet tegenwoordig nog het verschil?) daar op een veldje tussen de herberg en het bedrijfsverzamelgebouw annex Archeon-kantoor en overblijfgelegenheid in de ‘Romeinse tijd’ plaats, maar een kniesoor die daarop let. Hij heeft wat met die tijd want ridders vindt hij wel leuk, “omdat ze eigenlijk niet heel slim waren. Ze hadden geen goede methodes om uit te zoeken of verdachten echt een dader waren. Zoals heksen en mensen die iemand hadden vermoord of struikrovers.” Einde citaat. Die beide laatste gevallen zijn de onderwijzers en de leerboeken van de basisschool eerder te verwijten dan een twaalf-jarige leerling. Hem kun je alleen maar meegeven dat de middeleeuwer niet slimmer of dommer was dan de mens van nu, hij wist alleen minder dan wij. Gezien de foto bij het interview is Quintin zelf best een slim ventje. Hij komt er wel. En als hij nieuwsgierig genoeg is komt hij vast nog wel eens te weten hoe het nou echt zat met die ridders die hij zo leuk vindt. Zo heb ikzelf ook uitgevonden wat ik nu weet en kijk mij nou eens... Ruben Koman signaleerde al weer een tijdje geleden in Traditie 13-1 (2007) een ‘nieuw cultuurverschijnsel’. De gemeente Terneuzen gebruikt het volksverhaal over de Vliegende Hollander als kapstok om een historisch festival aan op te hangen. Als toeristentrekker. Bij wat doorlezen blijkt het stadje dat al, af en aan, sinds de jaren zestig te doen en is dit sinds 2006 (!) bestaande festival alleen maar een nieuwe variatie op een oud thema. Zo ‘nieuw’ is dit verschijnsel dus niet. Het heeft zelfs al best wel een respectabele traditie van veertig jaar en is daarom vergelijkbaar met de 1 april-feesten in Brielle die in diezelfde tijd, 1966, van start gingen. Daar ging het echter om een historische gebeurtenis, die zich echt in die stad had afgespeeld. Terneuzen heeft daarentegen helemaal niks te maken met de legendarische kapitein Van der Decken. Koman wijt het aan een door een negentiende-eeuwse Engelsman verkeerd gelezen plaatsnaam: Terneuzen = Ternuten = Sinternuten oftewel Sint Reinuit. Hij noemt echter zijn bron niet. Dat was waarschijnlijk de website van de lokale historische vereniging (http://www.terneuzen.com/historie/geschiedenis/legendevandevliegendehollander/), die overigens ook de nodige kanttekeningen heeft bij deze keuze. De Terneuzenaren (?) zal dat echter worst wezen: het spookschip en al wat daaar aan opgehangen kan worden is inmiddels ingeburgerd. De gekte die de filmserie ‘Pirates of the Caribbean’ heeft veroorzaakt speelt hier misschein nog een flinke rol bij. Henk ’t Jong |