Boekrecensie 17
Middeleeuwse canon van Nederland: een klein stapje los van de traditie
Jan Kuipers, mmv Goffe Jensma en Oebele de Vries, Nederland in de middeleeuwen. De canon van ons middeleeuws verleden (Zutphen 2011)
De langverwachte canon over de Nederlandse middeleeuwen is uit. Hij is bij uitgeverij Walburg Pers verschenen in een serie van diverse andere historische canons die daar zijn geproduceerd. Zoals te verwachten is het boek opgedeeld in 50 ‘vensters’ en die zijn rijk geillustreerd: wel 293 plaatjes en platen op 192 pagina’s. Elk venster bestaat uit drie of vier pagina’s, waarvan de illustraties ongeveer de helft innemen. Ook zijn er kaartjes in opgenomen en af en toe kadertekstjes. Ik moet zeggen: het boek ziet er fris en kleurig uit en het is vakkundig vormgegeven.
Het probleem met een canon van 50 vensters over 1000 jaar geschiedenis is dat het noodzakelijkerwijs een verzameling weetjes en feiten is. Je kunt er natuurlijk nooit erg de diepte mee ingaan en verbanden ertussen zijn niet makkelijk te leggen. Traditioneel worden die feiten doorspekt met verhalen die meestal van fabuleuze herkomst zijn. Dit boek staat er ook vol mee. Verhalen helpen om de geschiedenisles levendiger te maken, maar omdat ze allemaal zo legendarisch zijn, wordt het begrip voor het verleden er niet helderder door. Het gevaar bestaat zelfs dat met name de middeleeuwen tot een soort sprookjesland worden gemaakt. Kuipers en zijn mede-auteurs hebben uiteraard geprobeerd nuchtere geschiedenis te schrijven. Ze vermijden ook niet het vermelden van controverses en stippen nieuwe denkbeelden over oude problemen aan. Het met gulle hand toevoegen van fabels en mythes, doet dat uitgangspunt echter een beetje teniet. Het maakt het hele verhaal daarom wat onevenwichtig.
Voor een historicus, en zeker een mediëvist, bevat het boek ook weinig verrassingen. Er zijn maar een paar echt nieuwe vensters. Het eerste gaat bijvoorbeeld helemaal over de Romeinen en hun Germaanse bondgenoten. Het tweede vermeldt de nogal heftige, maar al lang bij kenners bekende, mededeling dat de Friezen eigenlijk Saksen, Angelen en Juten zijn. Vorig jaar kon men dat al lezen in Lenderings en Bosmans, De rand van het rijk (2010), welk boek overigens niet wordt genoemd als bron. Ik heb trouwens de indruk dat dit nieuws nog steeds niet in Friesland is doorgedrongen, hoewel het al zo’n vijftig jaar bekend is. Na deze eerste klappen komen de traditionele, ook in de tien tijdvakken van De Rooij voorkomende, onderwerpen aan de orde. Men gaat in een rotvaart door 1000 jaar geschiedenis, zoals elk geschiedenisboek uit het verleden de middeleeuwen behandelde. Niets nieuws onder de zon dus. Wel leuk is de aandacht voor de ketter Tanchelm en de Kleine IJstijd en, omdat Vlaanderen ook wordt meegenomen (wat ik zeer terecht vind), komen ook de Guldensporenslag plus zijn gevolgen voor Holland en Zeeland en de carrière van de Arteveldes langs. Er is dus wat vernieuwing, maar nog niet veel.
De indeling is thematisch: politiek en vorsten worden afgewisseld met kerkelijke geschiedenis en economie. Telkens zitten hier ook vensters met culturele onderwerpen tussen zoals die over de liedjes schrijvende hertog Jan (die van de pils) en een hoofdstuk over volkscultuur. Persoonlijk ben ik blij dat er ook wat aandacht aan klimaat, waterstaat en ontginnings- en nederzettingsgeschiedenis wordt besteed. Dat kan in zo’n kader natuurlijk nooit uitputtend, maar het staat er in ieder geval in.
De schrijver, Jan Kuipers, heeft een soepele stijl en weet diverse soms ingewikkelde problemen meestal in eenvoudige taal te gieten. Uit betrouwbare bron weet ik dat dit boek voor leken is bedoeld, dus dat moest ook wel. Toch zet ik dan soms nog wel wat vraagtekens bij bepaalde zaken, die ik nou niet zo eenvoudig verwoord vindt of waar je toch wat uitleg bij nodig hebt. Zo wordt het begrip ‘ministeriaal’ nauwelijks uitgelegd, moet je als leek toch even opzoeken wat roosvensters, steunberen en luchtbogen zijn of wat een haam is. Het is bijvoorbeeld ook handig om een plaatje ervan te hebben als je leest dat de symbolen van de Bourgondiërs een vuurslag en een naar hen genoemd kruis waren. Dat Kuipers, als Zeeuw en medeschrijver van de Zeeuwse canon, af en toe wat extra aandacht aan zijn provincie besteedt kan ik billijken. Zijn eigen medeschrijvers, Goffe Jensma en Oebele de Vries, zijn aangetrokken om enkele typisch Friese onderwerpen in te vullen die Kuipers niet zo in zijn bagage had. Er is verder telkens aan het eind van zo’n venster gezorgd voor een kort literatuurlijstje. Curieus vind ik wel dat daarin soms naar de andere canon-boeken van de Walburg Pers wordt verwezen. Mag dat wel? Of is dat gewoon zakelijk denken? Een stilistisch minpuntje vind ik dat Kuipers af en toe de neiging heeft om wat kleurrijke bijvoeglijke naamwoorden te gebruiken, die me steeds een beetje deden opschrikken: spijkerharde opportunist (45), mystieke schemer (124), droomachtige spiralen (125, of is dit een hertaling van ‘dreaming spires’ oftewel de torens van de colleges in Oxford?) en monumentale bisschop (163, over David van Bourgondië). Het is een beetje of je een populaire schoolmeester hoort. Maar misschien is hij dat ook wel…
Ik ontkom er niet aan deze canon te vergelijken met de beide door Ben Speet geschreven delen 3 en 4 in de serie de Kleine geschiedenis van Nederland. De boeken bevatten iets minder illustraties op ongeveer anderhalf keer het aantal, iets kleinere, pagina’s. De middeleeuwen worden, zoals te verwachten is van een canon, in het werk van Kuipers cs dus beduidend korter beschreven. Toch komt de stof behoorlijk overeen, al had Speet meer ruimte om de thema’s uit te werken. Zo besteedde hij de nodige aandacht aan het rechtswezen in de vroege middeleeuwen, ging hij wat dieper in op wat Karel de Grote allemaal deed en had hij wat meer ruimte voor andere dan alleen Willibrord als missionarissen en voor de noormannen. Speet had ook meer verhalen over de Hollandse graven, handel, kerk en de hogere cultuur. Hij was echter beduidend Hollandocentrischer dan het nieuwe boek: Brabant, Gelre en het Sticht kwamen er nauwelijks in voor en het Friesland, Groningen, Drenthe en het Oversticht van na 1000 al helemaal niet. Vlaanderen bleef trouwens bij Speet helemaal buiten beeld. Bij Kuipers krijgen die provincies wel de nodige aandacht, ook geholpen door de Friese mede-auteurs natuurlijk. Zo hoort het ook. Het is ook eerlijker ten opzichte van al die lezers buiten de Randstad. Holland, als rijkste en daardoor ook belangrijkste gewest van de noordelijke Nederland, is echter ook hier het meest genoemde land, op de voet gevolgd door Vlaanderen, met Brabant , Zeeland, het Sticht en Friesland als derde tot en met zesde.
Toch zijn er een paar curieuze leemtes te vinden in de nieuwe canon. Zo blijven de praktijken van het leenstelsel nogal onderbelicht. Is dat vanwege de nieuwe inzichten over feodaliteit sinds Fiefs and vassals (1994) door Reynolds? Terecht is, vind ik, de geschiedenis van de islam afwezig, behalve als het even over de kruistochten gaat. Hierin wijkt dit boek af van alle methoden en van Speet, waarin bij de tijd van monniken en ridders deze godsdienst en zijn gevolgen toch uitgebreid behandeld worden. Ik heb dat al eerder politiek correct genoemd, al hoort het in internationaal verband er natuurlijk wel bij in het voortgezet onderwijs. Ook mis ik in de nieuwe canon de redenen en gevolgen van de Investituurstrijd, de kritiek op de kerk in de late middeleeuwen (die alleen bij de Moderne Devotie even langs komt) en de weerslag in het culturele leven daarvan in de steden. Wel wordt een venster besteed aan volkscultuur, maar ik keek er wel een beetje van op toen ik las dat daar ook de heksenvervolgingen bij hoorden. Die horen mijns inziens toch meer bij de kerk thuis.
En dan de illustraties… Ik heb elders al geschreven dat ik die in de methodes en andere geschiedenisboeken nogal voorspelbaar vind. Je ziet ook steeds dezelfde. Met name de schoolplaten van Isings zijn zeer populair en hier vind je dan ook bijna alle middeleeuwse die hij heeft gemaakt (7) weer terug. Maar ook oudere, veel dubieuzere historieprenten komen in het boek voor. De schrijver probeerde dat in zijn inleiding ook te verantwoorden, maar ik heb daar problemen mee. Juist die prenten geven geen goed beeld van de tijd. Ze zijn zo goed als allemaal achterhaald en dan behoren die van Isings nog tot de besten. Je krijgt er dus geen goed beeld over de middeleeuwen van. Dat vind ik jammer want er zijn genoeg goede platen uit middeleeuwse bronnen te vinden. Het ziet er naar uit de de beeldredactie zich er niet al te veel moeite voor heeft getroost. Alleen vijftiende-eeuwse miniaturen en schilderijen (die overigens dikwijls oudere gebeurtenissen portretteren) zijn ruim vertegenwoordigd: 101 stuks. Uit de veertiende eeuw komen er 19, waarvan een groot deel uit het Manesse handschrift van ca 1305-1322 afkomstig is, uit de dertiende en twaalfde eeuw elk één, uit de elfde niks en dan een achttal uit de achtste tot en met de tiende eeuw. Uit de vijfde tot en met de zevende eeuw is er ook niks. Ik vind dat mager. Natuurlijk wordt dat wel wat gecompenseerd door afgebeelde voorwerpen uit de betreffende tijd, maar 38 is ook niet echt veel, als je het spreidt over die 10 eeuwen. Er zijn ook nog 23 foto’s van historische gebouwen en een re-enactment
(waar ikzelf nog als monnik op de rug te zien ben: uiterst rechts, p. 59), 11 kaarten (mooi en fris vormgegeven) en mijn persoonlijke favorieten: de 11 reconstructies. Met name die van historische landschappen vanuit de lucht door Ulco Glimmerveen vind ik zeer geslaagd. Uit eigen ervaring weet ik echter dat er veel meer te vinden is over die perioden die in dit boek zo spaarzaam van tijdeigen materiaal zijn voorzien. Dit is voor mij weer de zoveelste gemiste kans.
Ben ik dan ontevreden over Nederland in de middeleeuwen? Geenszins. Ik vind het een mooi, behoorlijk compleet en goed geschreven boek, waar de al wat ingevoerde leek veel van zijn gading in kan vinden. Een volstrekte leek zal echter niet altijd begrijpen wat Kuipers bedoelt en dat is misschien jammer, maar een bezoekje via Google aan Wikipedia kan daar antwoorden voor leveren. De vraag is alleen: gaat men dat doen? En, nog belangrijker, wie gaat dit lezen? Historici, en met name mediëvisten, weten dit allemaal al en ze kennen de plaatjes van haver tot gort. Is het boek dan bedoeld voor onderwijzers en leraren die hun stof willen uitdiepen? Die kennen en/of bezitten waarschijnlijk de boeken van Speet al. Bovendien: hebben ze wel de tijd om deze kennisverbreding toe te passen? Gaan leerlingen dit boek dan kopen of voor Sinterklaas krijgen? Ik betwijfel het. Daarvoor is het te veel: meer van hetzelfde, dat ze al uit de lesboeken kennen. Ik denk niet dat ze dertig euro gaan uitgeven aan wat extra lesstof. Behalve misschien die enkeling die later historicus wil worden (zijn die er nog?). Dus wat is dan het publiek? De grijze golf; mijn leeftijdsgenoten die van hun pensioen genieten en de historische musea bevolken? Ik weet dat de meesten kapitaalkrachtig zijn (hoewel…) maar als je het alleen van die groep moet hebben… Of misschien is het voor die spaarders die ook de andere canons al hebben en zo weer wat completer worden. Ook geen grote groep, lijkt me. Kortom: ik hoop voor de uitgever en de schrijvers dat het goed verkoopt, maar ik heb er een beetje een hard hoofd in. Over een jaar zullen we weten of ik hier te somber over was.
Henk ’t Jong
27.11.2011
Boekrecensie 16
En zo… is het echt gebeurd
Het zijn een eigenaardige dingen, historische romans. Ze gaan over gebeurtenissen in het verleden die door al lang overleden personen worden meegemaakt. Soms gaan ze over echt bestaand hebbende mensen, maar meestal zijn de hoofdpersonen gewoon verzonnen. Dan nog kunnen die echte historische figuren tegenkomen. Dat is moeilijk schrijven. Hoe verder je terug gaat hoe minder er over die mensen bekend is. Soms is er een portret van zo iemand bewaard dus dan weet je ongeveer hoe die figuur er op een bepaald moment uitzag. Van middeleeuwse of nog oudere personen is dat meestal niet het geval. Uit de tijd van voor 1500 zijn gewoon minder plaatjes, en zeker minder portretten, bekend. Het is nog veel moeilijker om te weten te komen hoe die mensen deden. Hoe ze reageerden op iets of wat ze op een bepaald moment zeiden. Als schrijver kun je dan alleen maar je fantasie gebruiken. Sommige schrijvers hebben een heel scherpe voorstelling van hoe historische personen eruit zagen, hoe ze deden en wat ze zeiden, anderen weten dat veel minder duidelijk. Dat hangt ook samen met hoeveel ze van die periode weten. En hoever ze zich ingeleefd hebben in de mentaliteit van de mensen uit die tijd.
Historische romans berusten dus voor een flink deel op de fantasie van de schrijvers. Dat is natuurlijk ook het geval bij verhalen over het verleden die door historici geschreven zijn. Over een historische gebeurtenis kunnen veel gegevens van allerlei soort bewaard zijn: kronieken, brieven, oorkonden, rekeningen, etc. Die moet een historicus interpreteren om te kunnen reconstrueren hoe iets gebeurd is en waarom. Er blijven dan altijd witte plekken open, die je zelf in moet vullen. Als je veel van een tijd of plaats in een bepaalde tijd weet kan dat een tamelijk betrouwbare invulling zijn. Als een historicus mensen zou willen laten spreken, en dat doen ze nooit, dan zou hij of zij waarschijnlijk best een geloofwaardige dialoog kunnen schrijven, maar dat vinden ze eerder het werk van romanschrijvers. Die zijn soms goed ingevoerd in de geschiedenis van de periode waarover ze schrijven, maar soms ook niet. En dan worden hun boeken voor een kenner nogal ongeloofwaardig. De meeste lezers van historische romans zijn echter geen kenners. En zeker niet als het kinderboeken zijn. Kinderen, en vooral jonge, hebben gewoon nog te weinig geleerd om het verschil tussen echt gebeurd en fantasie te kunnen herkennen. Die geloven de schrijver als hij zegt: en zo… is het echt gebeurd.
Dat zinnetje gebruikt Arend van Dam achter elk van de verhalen in zijn Lang geleden… De geschiedenis van Nederland in vijftig voorleesverhalen (Houten 2007). Van Dam wilde onze geschiedenis vertellen voor heel jonge kinderen. Zo van groep 1 en 2. Hij had een kleuterklas meegemaakt waarin uit de bijbel werd voorgelezen en die kinderen bleken die moeilijke verhalen met allerlei vreemde namen en wonderlijke gebeurtenissen goed begrepen te hebben. Dat moest dan ook voor de vaderlandse geschiedenis kunnen, vond hij, en hij schreef dit boek. Het werd een succes. Ik heb tenminste de veertiende druk uit 2011 in mijn bezit, wat wel wat wil zeggen. Het stond in december vorig jaar op de derde plaats in de lijst van favoriete boeken van meesters en juffen. Arend loopt binnen en dat misgun ik hem echt niet, maar ten koste van wat?
Want wat voor verhalen zijn dat nou eigenlijk? Om te beginnen komen ze nogal overeen met de onderwerpen van de historische canon van de Nederlandse geschiedenis. Voor de middeleeuwen, mijn vakgebied, komen er drie onderwerpen uit de canon in voor: Willibrordus (en Bonifatius en Liudger), Karel de Grote en Floris V. Dat betekend dat alleen Olla vogala en de Hanze niet genoemd worden. Misschien zijn daar niet zo makkelijk eenvoudige verhalen over te vertellen. Arend vertelt nog wel over Rorik de Deen, de ontvoerde prinses Judith (daar heeft hij ook al een heel slecht boekje over geschreven voor de schoolboekenuitgever Zwijsen; zie mijn rapport De middeleeuwen in de klas) en Jacoba van Beieren. Met Jeroen Bosch en Erasmus verlaat hij de middeleeuwen al, maar die mensen zijn nog wel voor 1500 geboren dus misschien moet je die er ook nog wel bij tellen.
Hoe doet hij dat dan, zo’n verhaal? Het belangrijkste is dat hij de hoofdpersonen sprekend opvoert. Hij kan natuurlijk niet weten wat ze precies hebben gezegd op een bepaald cruciaal moment, dus dat verzint hij. Maar dan is wel het net alsof je mensen uit onze tijd hoort praten. Dat doet hij natuurlijk zodat kinderen van 4 tot 6 jaar het kunnen begrijpen. Een probleem is dan wel dat hij ze dingen laat zeggen die niet kloppen met de geschiedenis zoals die bij historici bekend is. Bonifatius zegt dus: “Wat een flauwekul. Bomen zijn niet heilig” en hakt ze om, volgens zijn heiligleven, maar dat is wel erg kort door de bocht. Karel de Grote (omdat hij erg groot was!) zegt tegen paus Leo wanneer hij hem een in Rome voor hem gemaakte kroon geeft: “Ik wil dat je me kroont” terwijl het helemaal niet zo duidelijk is dat hij daar op uit was. Rorik de Deen zegt tegen koopman Gerrit in Dorestad: “Wij zijn op zoek naar eten, naar land en naar rijkdom. Ga aan de kant” maar hij had het beheer over het rivierengebied rondom Dorestad gekregen van koning Lotharius. Prinses Judith (die in het echt al twee keer weduwe was op haar 17e) heeft een hele intieme dialoog met haar stoere Boudewijn met de Ijzeren Arm: “Ik kom je halen. Ga met me mee”. Het liedje van “In Den Haag daar woont een graaf…” wordt opgehangen aan Jan, de zoon van Floris V, Jacoba van Beieren is een stampvoetend verwend wicht dat “Ik ga van je weg!” gilt. En zo kan ik nog wel even doorgaan, over Jeroen Bosch die mensen met zijn kunst wilde waarschuwen wat een kunsthisterisch fabeltje is en Erasmus die vindt dat ook gewone mensen die bijbel in het Nederlands moeten kunnen lezen, terwijl die dat al vanaf de late 13e eeuw konden als ze dat wilden. Enzovoorts.
En dat zegt Arend dat het zo echt is gebeurd. Weten die kinderen veel… En hij hoopt dan waarschijnlijk dat ze in de toekomst, als ze ouder zijn, de waarheid wel zullen horen. Nou, dat kan hij dus vergeten. De schoolboeken die ze later zullen gebruiken vertellen net zulke sprookjes, al worden de hoofdpersonen er niet meer sprekend opgevoerd. Is het een wonder dat de Nederlander zo’n raar beeld heeft van zijn geschiedenis? Dit boekje bereidt de kleuters al lekker vroeg voor op de nationale mythe. Is dat erg? Ik vind van wel. Want wat blijft er over van die gedachte dat ook kleuters best ingewikkelde verhalen, zoals die in de bijbel, kunnen begrijpen? Niets, als je zo op je hurken gaat en de echt gebeurde verhalen verminkt tot hapklare brokken kleuterlectuur. En zo ook nog eens geschiedvervalsing pleegt die later moeilijk zal zijn terug te draaien. OK; ik heb vroeger dus ook al die sprookjes gehoord en gelezen – wie niet? – en heb me er op den duur wel aan ontworsteld. Maar niet iedereen wordt historicus. In die hoedanigheid word ik namelijk bijna dagelijks geconfronteerd met de volkomen verwrongen historische kennis van de gemiddelde Nederlander. Arend van Dam, en vele van zijn mede-schrijvers van de Ronde Tafel, vertellen leuke verhalen, maar historisch is het niet en zal het ook nooit worden. Waarom zou je het dan nog historische (kinder)romans noemen, als het niet veel meer dan fantasy is?
Henk ’t Jong
10.7.2011
Boekrecensie 15
Huilen helpt geen mallemoer
Boeken over wezen die na veel ellende te hebben meegemaakt van adellijke afkomst blijken te zijn, bestaan er al sinds de uitvinding van de roman. Sommige van die boeken zijn echte tranentrekkers (Alleen op de wereld), maar de meeste lopen goed af, zeker als het kinderboeken zijn. Als het thema gepaard gaat met sociale kritiek, en dus voor de oudere lezer is bedoeld, dan wil het einde nog wel eens open zijn, maar toch overheerst daar ook meestal wel de goede afloop (Oliver Twist). Galgenmeid is echter wel wat anders. Alle thematiek is aanwezig, maar je kunt, behalve dat ze het overleeft, niet zeggen dat Gitte Niemandsdochter er een gemakkelijk leventje aan overhoudt. Ondanks dat ze de bastaard is van een hoge Spaanse edelman, iets dat ze al vanaf haar vroegste jeugd weet. En nog kan bewijzen ook en dat wijkt ook af van al die andere adellijke wezen. Daarbij weigert ze bij de pakken neer te gaan zitten en herhaalt ze als ze in de penarie zit haar, hierboven in de titel opgenomen, motto.
Er zijn meer verschillen. Jean-Claude van Rijckeghem en Pat van Beirs hebben in hun opvolger van hun eerdere succes in de historische kinderroman een niet bepaald zielig weesmeisje op de wereld gezet. Ik heb in de vorige recensie hun Jonkvrouw behoorlijk neergesabeld wat historische context betreft, maar toegegeven dat ze (of hij: J-C is de schrijver, Pat de onderzoeker) wel kunnen schrijven. Voor mij werd het vorige boek te veel bedorven door alle anachronismen om te kunnen genieten van hun literaire kunde. Want die is ook nu weer luid en duidelijk aanwezig. Met name door niet te archaïsch te fomuleren en gewone spreektaal te gebruiken in de dialogen is dit een zeer leesbaar, en soms pakkend, historisch boek.
Toch dacht ik bij het lezen van de eerste negen hoofdstukken steeds: weer een Thea Beckman met een hoop grafisch beschreven ellende. Nou was het leven voor een wees die na een verblijf in het maagdenhuis bij een rondtrekkende apotheker (zeg maar kwakzalver) terechtkomt en daar van een collega leert hoe ze moet stelen, natuurlijk niet veel rozengeur en maneschijn. Het leven zowel in het weeshuis als trekkend langs de baan wordt realistisch beschreven en die mensen hadden het niet makkelijk. De jaren ’70 en ’80 van de zestiende eeuw waren nu eenmaal onrustig in de zuidelijke Nederlanden en het was er onveilig en hard voor mensen aan de onderkant van de samenleving. En smerig en hongerig. Maar hoe goed beschreven ook, ik had dikwijls het gevoel dat ik het allemaal al eens gelezen had. Het was nu weliswaar lezenswaardig opgeschreven, maar toch...
Pas nadat Gitte bij een mislukte diefstal is opgepakt en in de nor gegooid is en ophanging dreigt, kreeg ik kippenvel. Dat is bij mij een goede graadmeter voor een pakkend boek. Ik heb dat gevoel op nog twee plaatsen gehad. Voor een kinderboek, dat ik meestal zonder zo getroffen te worden uitlees, is dat best bijzonder. Het zegt ook wat over de kunde van de schrijver(s).
Andere recensies van Galgenmeid hebben het vooral over de doortastendheid van de hoofdpersoon, haar onafhankelijkheid en haar nogal modern aandoende directheid (net alsof zo’n leven geen wereldwijsheid bevordert bij een intelligent meisje), maar in wezen is ze ‘gewoon’ een overlever, zoals er zoveel moeten zijn geweest. En ze had geluk. Het hele boek door gebeuren er dingen met haar die ze zelf niet in de hand heeft. Een jonge, eveneens doortastende, onderbaljuw bis (je moet het boek maar lezen om te weten te komen wat dat is) redt haar van de galg, zorgt voor een spionageopdracht in Spanje en helpt haar daar weer te ontsnappen als het misloopt. Zelf heeft ze daar weinig in te zeggen. Ze heeft het eerst te druk met overleven en in Sevilla om zich aan te passen aan het leven als onechte dochter van een hertog, die haar verwekt heeft bij een Vlaamse hoer. Dat lukt zo goed dat zelfs zijn vrouw haar begint te waarderen en ze toch min of meer in het gezin wordt opgenomen als een wat excentrieke nakomeling. En dan wordt ze verliefd en na een stormachtige affaire, waarbij ze ook nog trouwt, gaat het mis en moet ze er vandoor. Ondanks dat ze zo goed als opgehangen wordt. Ook dat stuk bezorgde me kippenvel en later, na terugkeer in Antwerpen, gebeurde het nog eens.
Het hele tussenspel in Sevilla is op een paar actiepunten na, het saaiste deel van het boek. Er wordt veel uit het leven in de betere kringen uitgelegd en, mijns inziens, heeft Van Beirs hier best goed werk verricht, maar het teveel aan informatie houdt het verhaal wel op. Is de informatie dan tenminste betrouwbaar? Ik heb niet veel ervaring met Spaanse omgangsvormen en het dagelijks leven in een hertogelijk huishouden in Sevilla in de late zestiende eeuw, maar het komt allemaal heel echt over. Veel meer dan veertiende-eeuws Brugge in hun vorige boek. In de beschrijvingen van Antwerpen en het Brabants-Vlaamse platteland komen weliswaar nogal wat clichés voor, die ik zeker had vermeden, maar de dialoog en onderlinge actie maakten daar een hoop goed. Dat is in Spanje minder het geval, al zijn daar ook wat leuke gesprekken, observaties en wat aardige interacties te vinden. Het zwakst zijn de schrijvers bij het beschrijven van kleding. Ze weten wel ongeveer hoe die eruit ziet, maar hebben weinig idee van hoe het gedragen wordt of in elkaar zit. Of hoe alles heet. Zo worden veters stelselmatig ‘touwtjes’ genoemd en is een jurk een ‘keurslijfje’, ondanks dat dat alleen het bovenste deel is. In Spanje lopen de hidalgo’s met breedgerande hoeden op, terwijl dat toch echt een mode van 30-40 jaar later was. Maar alla...
Ik vind dit een goed boek. Als het verhaal me anachronismes doet vergeten (al zie ik ze heus wel) en me zelfs een aantal keren kippenvel bezorgt is er echt wel wat aan de hand. Dat heb ik een hele tijd niet meegemaakt. Je gelooft Gitte Niemandsdochter, of Spanjaardsdochter, je kunt af en toe om en met haar lachen en maakt haar groei mee. Het is een boek voor pubermeiden, natuurlijk, maar ook jongens en oudere historici kunnen dit met een gerust hart tot zich nemen. Complimenten, heren, en wees er zuinig op: ik geef ze niet lichtvaardig. Ik ben benieuwd naar het volgende boek. Ik weet niet of ik voor mijn beurt spreek, maar ik heb opgevangen dat het over vikingen zal gaan. Dat is een riskant plan en het zal me dus benieuwen, maar de Galgenmeid, die niet wil huilen maar gewoon doorzet, wordt een gedenkwaardige hoofdpersoon.
Henk 't Jong
5.3.2011
Boekrecensie 14
Middeleeuwse meiden
Ik heb in januari 2002 in deze recensie-column al aandacht besteed aan middeleeuwse chick-lit. Zowel voor mijn middeleeuwse educatie-onderzoek als vanwege mijn interesse voor waar ons beeld van de periode 500-1500 vandaan komt, lees ik veel fictie. In de column hiervoor stond Jacoba van Beieren nog centraal. De schrijfster Sunny Jansen wilde ons nog laten geloven dat de gravin te paard haar legers aanvoerde als een feministe avant la lettre. De inmiddels verschenen biografie Een pion voor een dame (Amsterdam 2009) van Antheun Janse laat ons een ander beeld van deze hoogadellijke dame zien, die eerder een speelbal van haar moeder en neef was dan een onafhankelijk opererende vorstin. Toch werd dat romantische beeld in datzelfde jaar nog eens apart bevestigd door de kinderboekenschrijfster Simone van der Vlugt die met Jacoba, dochter van Holland (Amsterdam 2009) het leven van de gravin tot haar vlucht, in mannenkleren, uit het Gravensteen te Gent (1425) beschrijft als een historische soap.
Ik besloot wat theoriën die het lezen van de bovenstaande boeken bij me deden opkomen te onderzoeken. Uit de bieb haalde ik Thea Beckmans Hasse Simonsdochter (Rotterdam 1983), Floortje Zwigtmans, Spelregels. Het verhaal van een middeleeuws huwelijk (Baarn 2001) en Jean-Claude van Rijckeghem en Pat van Beirs, Jonkvrouw (Antwerpen 2005). Alle drie boeken hebben jongedames als hoofdpersoon, een rietsnijdersdochter en twee hoogadellijke jonkvrouwen, en het draait allemaal om mannen.
In Spelregels komen ook nog de mening en gevoelens van die mannelijke hoofdpersoon aan de orde, maar het draait toch om drie zelfstandige, ja zelfs opstandige meisjes (15, 14 en van 5 tot 13 jaar oud, respectievelijk) die het tegen het establishment opnemen. Twee ervan willen niet trouwen met degene aan wie ze zijn beloofd, net als Vogeltje uit Dat nooit!, en de andere trouwt een edelman die dreigt onthoofd te worden (Hasse). Beckman heeft ook al eens een hele trilogie geschreven over zo’n zelfstandig dametje (Geef me de ruimte/Triomf van de verschroeide aarde/Het rad van fortuin) die een huwelijkskandidaat ontvluchtte en het leven van een speelvrouw ging leiden. Ook Hasse is zo’n type, een natuurmens, die in het legertje van haar man, Jan van Schaffelaar, een in mannenkleren gehulde boogschutter wordt.
Jonkvrouw Marjorie uit Spelregels, zelf geen schoonheid, moet trouwen met de eveneens onaantrekkelijke puber Allard van de Goudheuvel. Ook zij leert zelfstandig een kasteel te besturen en verdedigen en is de aanvoerder en uitvoerder van een listige aanval op rovers. De hoofdpersoon uit Jonkvrouw, Margaretha van Male (1350-1405), maakt het het bontst. Zij is de enige dochter van de graaf van Vlaanderen en die zit natuurlijk in een keurslijf door haar afkomst. NOT! Het is het meest rebelse wicht dat je je maar kunt voorstellen: ze pest de bevolking van de kastelen waar ze verblijft, maakt de omgeving en de steden onveilig met een paar jonge edelknapen, leert zwaardvechten van de schildknaap van haar vader en rapiervechten van een Italiaanse instructeur (dit verhaal speelt rond 1360, terwijl de rapier pas dateert van na 1500), staat op tegen haar vader en verdere familie en weigert te trouwen met een Engelse prins. Kortom, geen land mee te bezeilen.
Als ik zo’n onderzoek doe heb ik altijd een notitieblok naast me liggen en ik schrijf daarin op wat niet klopt of welke vragen in heb. Voor Hasse waren het vier blaadjes vol, voor Spelregels twee, maar bij Jonkvrouw ben ik niet eens begonnen met schrijven. Ik was een paar pagina’s in het eerste hoofdstuk toen ik inzag dat er geen beginnen aan was. Die rapier, die pas laat in het boek verschijnt en ook nog voor een spectaculair slot zorgt, was nog niet eens het ergste. Het hele boek is één anachronisme. Oh, het is goed, maar zeer barok, geschrven, maar er klopt werkelijk niks aan. Daarbij moeten we bedenken dat deze Margaretha echt geleefd heeft en met Philips de Stoute, hertog van Bourgondië trouwde, waardoor ze aan de wieg stond van de hele Bourgondische dynastie. Zelfs historisch klopt er niets van haar leven zoals het hier wordt beschreven, maar ook zou een dochter van de graaf van Vlaanderen nooit de kans hebben gekregen de spectaculaire streken uit te halen die de auteurs voor haar hebben verzonnen. Wat moet je daar dan mee?
Ook Hasse heeft (misschien) bestaan, ze komt in ieder geval voor in een Kampens archiefstuk, en het einde van haar ‘man’ (maar dat is dus fantasie, we weten niet of hij getrouwd was, laat staan met wie) Jan van Schaffelaar kennen we natuurlijk allemaal. Het verhaal van Zwigtman is moeilijker te plaatsen. De namen zijn Nederlands, maar het land wordt bestuurd door een koning en aan de genoemde bewapening is af te lezen dat het ergens in 15e eeuw speelt. Misschien is het in Frankrijk gesitueerd, want er komt ook een hoofdstad met een universiteit in voor en dat kan dan alleen maar Parijs zijn. Dat is echter allemaal vaag gehouden en er is meer geconcentreerd op de gedachten en gevoelens van twee pubers die moeite met elkaar en de situatie hebben, maar die uiteraard op den duur naar elkaar toegroeien, Dat is ook niet slecht gedaan, maar de plot is wel erg voorspelbaar. Dat is ook zo met de plot van Hasse. Dat is een verhaal als honderden andere over de late middeleeuwen, maar dan in een bestaande omgeving en vermengd met historische gebeurtenissen.
Elders heb ik al over dat fenomeen van de standaard middeleeuwse verhaaltypen geschreven (13 juni 2010) zoals die in boeken al vanaf de vroege 19e eeuw zijn aan te wijzen en die vanaf 1900 in Hollywood films worden verbeeld. Maar moet dan hedentendage ook nog eens een deel van het leven van een echt bestaand hebbende edeldame omgewerkt worden tot zo’n banaal verhaalschema? Het hele verhaal lijkt bedoeld om spectaculair verfilmd te worden, maar ik hoop van ganser harte dat dat nooit gaat gebeuren. Of dat anders de Vlamingen in opstand komen tegen de verkrachting van hun historie. Helaas is er al een musical naar het boek gemaakt, maar daar hoor of lees ik weinig over. Stil houden maar... En dan heeft dat boek ook nog eens drie literaire (jeugdboeken) prijzen gekregen. Ik geloofde mjijn ogen niet!
Als klap op de vuurpijl staat op het omslag een portret van Genevra dei Benci uit ca 1475 door Leonardo de Vinci, terwijl er een perfect portret van Margaretha bestaat dat veel meer in de tijd past (zie hierboven). Maar ja, dat zou alleen maar een vlag op een modderschuit geweest zijn
Henk ’t Jong
27.7.2010.
