Archief van expositierecensies
RMO weer zonder context:
een voorlopig verslag
Ik wilde niet wachten tot ik de nieuwe opstelling Archeologie van Nederland in het RMO eens op mijn gemak had kunnen bekijken. Zondag 20 februari had ik al weer zoveel frustratie opgelopen dat het er nu al uit moet. De ontwerpers en uitvoerders hebben een mooi en dynamisch geheel neergezet, mooi uitgelicht (behalve het toevoeginkje over de gouden Peel-helm...) en netjes vormgegeven, maar de door mij al jaren terug geconstateerde gebreken blijven maar terugkomen. Context, het verhaal achter de dingen, zeg maar, is wat ontbreekt.
Deze keer is uitgegaan van de vindplaatsen, een aantal per periode, waarbij de prehistorie, omdat die natuurlijk het langste duurde, oververtegenwoordigd is. Dit houdt in dat in plaats van een paar vondsten uit alle mogelijke (maar niet alle...) sites er een lading verschillende stukken te zien is. Of juist een lading van hetzelfde maar met kleine variaties, zoals de kuil met misbaksels uit Brunssum-Schinveld. Er ligt nu dus een stapel trechterbeker aardewerk die in een hunebed is gevonden en zo'n drie generaties begravingen vertegenwoordigt en geen keuze uit alle of de meeste hunebedden. Het is nog behoorlijk veel ook, dus het kinder speurboekje vraagt prompt: "Kun jij tellen hoeveel potjes er staan?" Didactisch hoor.
Nou kom ik niet in de eerste instantie voor de prehistorie, dus het deel waar ik het langste bleef was natuurlijk de middeleeuwen. Uiteraard waren de Merovingen met een graf vertegenwoordigd en kregen we een overzicht van wapens en verder krijgstuig te zien dat in Dorestad gevonden was. Oude bekenden; ik had ze bijna allemaal al op de net afgelopen Dorestad tentoonstelling daar gezien. Maar nu stond er wel meer bij te lezen. Wat, weet ik nog niet, want het was me een gedrang daar.
De echte middeleeuwen begonnen met de opmerking dat "...steeds meer mensen in de buurt van kastelen, kerken en kloosters wonen. Hier werd handel gedreven en was het veilig." Nou, nou! Dat is wel even de boel omdraaien. Het kwam natuurlijk wel eens voor dat een dorpje bij een kasteel uitgroeide tot een stad, maar kerken werden meestal pas gesticht als er genoeg mensen ergens woonden om er één nodig te maken. Na een ontginning bijvoorbeeld. De vroege kloosters werden zo goed als allemaal ver van de bewoning gebouwd en al trokken ze op den duur soms wat bewoners voor de poort aan, steden zijn er nauwelijks bij ontstaan. De latere stadskloosters van de bedelorden of de moderne devotie hadden bestaande steden met een flinke bevolking nodig om te kunnen overleven. En er zijn genoeg steden die niet bij een kasteel zijn ontstaan.
In dit gedeelte was mijn woonplaats Dordrecht zowaar met twee opgravingssites vertegenwoordigd: het huis te Merwede een paar kilometer buiten en het minderbroedersklooster midden in de stad. Bij het eerste vondstcomplex stond dat het huis uit de dertiende eeuw dateerde, maar dat was dan de eerste fase. De vondsten die er lagen dateerden allemaal uit de tweede fase van ca 1340 tot 1421. De beroemde oudste Nederlandse blokfluit die ze daar in de oorlog hebben gevonden werd wel genoemd, maar niet getoond, want die ligt op de tentoonstelling Riddersporen in het Hof in Dordrecht. Daar werd overigens niet naar verwezen, wat ik wel een beetje vreemd vond.
Van de opgraving van het minderbroedersklooster, die ik ik begin jaren tachtig archiefmatig heb gevolgd, was een grafkeldertje met wat resten van de unieke wandschilderingen te zien. Die werden in het bijschrift gedateerd op de vijftiende eeuw, maar ik zie daar de typerende houdingen, kleding en penseelvoering van de vroege veertiende eeuw in. Foutje?
Toen ik daar stond kwam er trouwens een rondleider voorbij die een grote groep gemengde Nederlanders dingen over dat klooster begon uit te leggen. Nou, daar werd ik niet blij van. Op de vraag van een kind wat monniken waren begon hij me toch een onzinverhaal op te hangen! Het was meer dan duidelijk dat hij het verschil tussen de scriptoria bevattende abdijen van Benedictijnen en Cisterciensers en de stadskloostertjes van de Franciscanen, waar dat helemaal niet gebruikelijk was, niet kende. Ook vertelde hij dat de monniken de hele dag niks anders deden dan bidden, terwijl toch zelfs de contemplatieve orden zich tussen de getijden door met handarbeid bezig dienen te houden. En de Franciscanen deden nog wel meer ook.
Dit, en nog meer, was een treffend staaltje van verkeerde voorlichting. Je zag gewoon het cliché bij de luisteraars post vatten. Een kennis vertelde me dat de rondleiders in het RMO, volgens eigen ervaring, min of meer hun eigen verhaal mogen vertellen en dat ook zelf maken zonder controle van een bevoegde museummedewerker. Ik had geen moeite dat te geloven.
Een ander 'foutje' was dat bij het volgens het bijschrift twaalfde of dertiende-eeuwse herseniertje (waar geen maliekap aan vast zat!) een plaatje getoond werd van elkaar de hersens inslaande vroeg-veertiende-eeuwse ridders. En daar was nog geen hersenier op te zien ook.
Door de hele tentoonstelling waren onder het knap vormgegeven kronkelende tijdlint enkele historische slaapplaatsen ingericht waar kinderen net konden doen of ze in het verleden sliepen. Een eenvoudige versie van het Oseberg-bed stond er bij de viking afdeling en bij de latere middeleeuwen: een fourposter! Nou ken ik geen bedden van dat type van voor 1500, maar wat erger was dat het ook nog niet leek op een zestiende-eeuws hemelbed. Gewone rechte palen, die in de tijd zelf altijd bewerkt zijn en/of gedraaid, kwamen uit hoofd- en voeteneind en stonden vrij in de lucht. De traditionele dichte 'hemel' was afwezig. Zo'n bed heet niet voor niets zo! Aan een dun roetje hingen doorzichtige witte gordijnen, terwijl die in de middeleeuwen en renaissance (en veel later) van dikke wollen stof waren. Ze dienden niet om muskieten tegen te houden, maar tegen de kou! Het achtergordijn was een reproductie op klein formaat van een tapijt uit de serie laat vijftiende-eeuwse Vlaamse tapijten die bekend staat onder de titel La Dame à la licorne die nu in het Musée de Cluny in Parijs te zien is. Nou zijn dat enorme dingen, die bedoeld waren als wandbekleding in een paleis, niet als beddegordijn. Daar hingen geheel andere soort kleden aan. Niet alleen dat, maar ook het dekbed en de kussenovertrekken waren van lappen met hetzelfde decor gemaakt. Kortom: er klopte geen hout van. Zo zag een middeleeuws bed er niet uit, laat staan een renaissance bed. En zo was het niet bekleed.
Er waren nog meer zaken waar ik over viel, maar deze recensie is al lang genoeg. Maar, zoals gezegd, de belangrijkste misser was dus weer de context. OK, spullen uit een kasteel, maar waar diende alles voor? OK, grafkeldertje van klooster, maar waarom een keldertje en niet gewoon een kuil? Spullen uit een beerput, maar wat deden ze daar mee en hoe kwam het in de put terecht? En dat manco was er echt niet alleen bij de middeleeuwen. Zo was er die vitrine vol met bronzen bijlen, maar geen woord over het gebruik ervan en de status die men eraan ontleende. Waarom doet een museum als het RMO dat nou steeds weer? Ik snap het niet hoor.Jullie wel?
