Ons beeld van de middeleeuwen
Hoe komen we eraan?
Als men de gemiddelde Nederlander vraagt hoe hij de middeleeuwen ziet en wat hij ervan weet, krijgt men de volgende antwoorden:
- heksenverbrandingen
- overvloedige banketten, opgeluisterd door vuurspuwers, jongleurs en minstreels
- smerige straten en grachten, waar de varkens rondwroeten
- de pest waar iedereen aan stierf
- ridders van top tot teen in ijzer verpakt en schone jonkvrouwen met puntmutsen
- elke misdadiger werd gebrandmerkt, opgehangen, onthoofd en gevierendeeld, na eerst flink te zijn gemarteld door een beul met een ontbloot bovenlijf en een zwarte kap waarin twee oogjes zijn uitgesneden
- al boerend en kwijlend vlees-aan-het-bot eten met je handen, de honden op tafel, de botten over je schouder werpen en ongeremd drinken en aan de rondborstige serveersters zitten
- bedelaars die zich in de modder wentelen, etc. etc.
Een enkeling wil zich nog wel eens rijtjes jaartallen herinneren die er vroeger op school werden ingestampt, een ander heeft wel eens romans gelezen die zich in de middeleeuwen afspeelden of films gezien die uitpuilden van te paard gezeten strijders, nobele koningen, geslepen en in-slechte edelen en slimme jongemannen die iedereen de baas waren en op het laatst de schone dame tot vrouw kregen.
Als je deze uitkomst ziet, dan vraag je je af hoe men aan die wijsheid komt. Natuurlijk komt dat beeld niet uit het luchtledige; het is een beeld dat door een lange reeks van jaren door allerlei invloeden is gevormd.
Ontwikkeling van ons middeleeuwenbeeld
Dat begon al in de periode van de Romantiek in de eerste helft van de 19e eeuw, waarin men als het ware de middeleeuwen herontdekte. Binnen een aantal jaren ontstond er een ware middeleeuwengekte die resulteerde in romans, schilderijen, bouwwerken en restauraties gebaseerd op de gotische periode. Ik noem alleen al Sir Walter Scott die zijn 'Ivanhoe' een bestseller zag worden en ook met 'Quentin Durward' goed scoorde. Victor Hugo met zijn 'Notre Dame de Paris' (De Gebochelde van de Notre Dame), Hendrik Conscience met 'De Leeuw van Vlaanderen' en 'Jacob van Artevelde' en Robert Louis Stevenson met 'The Black Arrow' waren eveneens bestsellerschrijvers.
De zoals gewoonlijk wat, maar niet veel, later komende, Nederlanders als mevrouw Bosboom-Toussaint met 'Eene kroon voor Karel den Stouten', Jacob van Lennep met 'De Roos van Dekama' en H.F. Oltmans met 'De Schaapherder', schreven onder invloed van Scott eveneens lijvige en succesvolle romans over de Nederlandse middeleeuwen.
De bouw- en decoratiekunst, die de middeleeuwse invloed onderging, heette daaarom de Neo-Gotiek. De Franse bouwhistoricus en architect Eugène Viollet-Le-Duc, die vele middeleeuwse gebouwen in Frankrijk 'reconstrueerde' (want restaureren kun je het niet noemen), schreef en illustreerde een complete encyclopedie over de periode, waaruit de plaatjes tot nu toe nog steeds opduiken in boeken over de middeleeuwen. Hier te lande waren vader P.J.H. Cuypers (leerling van Viollet-Le-Duc) en zoon J.T.J. Cuypers goede vertegenwoordigers van die stroming. Na de emancipatie van de Nederlandse Rooms-Katholieken aan het eind van de vijftiger jaren van de vorige eeuw, zorgden zij en hun leerlingen voor een hausse in neogotische R-K kerken.
Aan de ene kant benadrukten met name de romanschrijvers de hoofsheid van de nobele ridder en edelman, de vroomheid van de vrouwen en geestelijken en de barbaarsheid en schraapzucht van boeren en burgers en aan de andere kant legden ze 'hun' middeleeuwers allerlei Victoriaanse beperkingen en eigenaardigheden op. Op de illustraties in de boeken zag je vrouwen in strakke, laag uitgesneden keurslijven en wijde rokken, hierbij voldoend aan het toenmalige schoonheidsideaal, terwijl ridders fatterige snorretjes en een zwoele oogopslag combineerden met zwellende spieren en een nauwe, bijna door een corset ingesnoerd lijkend, taille. Kortom: negentiende-eeuwers in maillot.
Door het nog op een laag peil staan van het historische en kunsthistorische onderzoek, was men ook geneigd allerlei perioden door elkaar te gooien, met name in de kunst. De niet alleen in Nederland beroemde kunstschilder Charles Rochussen heeft met name een belangrijk aandeel gehad in hoe de toenmalige Nederlander dacht dat het er in de middeleeuwen uitzag. Hij zette echter met groot gemak een 15e eeuwse 'jonkvrouw' naast een 13e eeuwse ridder of andersom. Zijn invloed is zelfs nog te zien in de beroemde schoolplaten van Isings en Jetses uit het begin van de 20e eeuw.
Pas in het laatste kwart van de 19e eeuw kwam het meer verantwoorde historische en archiefonderzoek op gang. Niet in de laatste plaats had dit invloed op de monumentenzorg, want in die periode begon die, onder invloed van de Fransen en Engelsen, ook hier ingang te vinden. De uit deze onderzoeken voortgekomen bronnenpublicaties begonnen eveneens in deze periode te verschijnen, maar werden, zoals later zal blijken, slecht gelezen en zeker niet in het denken over de middeleeuwen geïntegreerd. Ze verschenen daarbij in maar voor een kleine kring toegankelijke series historisch-wetenschappelijke werken en vonden niet bepaald een ruime verspreiding. Naar aanleiding of onder invloed van deze publicaties verschenen nog wel een aantal studies, scripties of dissertaties, maar ook die hadden een beperkte oplaag en werden alleen gebruikt door mediëvisten en dat waren er maar weinig.
De belangstelling van de meeste middeleeuwen-liefhebbers ging natuurlijk uit naar de romantische verhalen, legenden en sagen. Edele ridders en 'jonkvrouwen', tournooien en banketten, oorlog en, noodzakelijk voor een goed einde, het doormaken van de nodige ellende en zelfs de opofferende dood van de held, waren verplichte onderdelen van dergelijke verhalen. De boer kwam slechts in de marge voor als onbetrouwbare en barbaarse figurant, de burger als inhalige en snobistische woekeraar en vrouwen, behalve wonderschone, verarmde, adellijke wezen die tegen hun zin moesten trouwen met een, ook al weer adellijke, schurk en extatische, vrome nonnen, vervulden al helemaal geen rol. Ook verkleed- en vermompartijen waren in deze romans aan de orde van de dag.
Het dagelijks leven van de gewone man werd dus niet behandeld, want dat leverde geen roman op. Wel had men in wezen een deel van de informatie over dit leven bij de hand in de bronnenpublicaties, maar die werden door de romanschrijvers niet gelezen.
Tot en met de Jugendstil of Art Nouveau-periode (ca 1880-ca 1915) bleef de middeleeuwen nog een bron van inspiratie voor kunstenaars en enkele wetenschappers. Daarna kwam de koele zakelijkheid en verdween de gotiek uit beeld. Pas in de jaren dertig kwam er weer wat belangstelling, maar dan bijna uitsluitend in de hoek van de wetenschap. De ontmaskering van vervalste oorkonden door O.A. Oppermann, waaronder veel die later weer werden gerehabilliteerd, was even een sensatie in kringen van kenners en archivarissen. De geschriften van Johan Huizinga, met als hoofdwerk Herfsttij der Middeleeuwen (nog van de voorgaande periode, 1919, maar pas invloed uitoefenend in de jaren '30), vormden een hoogtepunt in positieve zin (inmiddels ben ik daar anders over gaan denken, HtJ).
Toch was hier ook het leven van de gewone man niet aan de orde en bij het grote publiek kwamen deze ontwikkelingen niet door. Die stonden, via het geschiedenisonderwijs, nog stevig in de Neo-Gotiek van de vorige eeuw. Daarin waren gravenlijsten, jaartallen en oorlogen nog steeds veel belangrijker dan de belevenissen van hun eigen voorouders.
Pas tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam met de Franse school rond het historische tijdschrift Annales d'histoire économique et sociale. Uit deze school, die onder 'leiding' stond van Marc Bloch en Lucien Febvre en die een nogal marxistische benadering van de geschiedenis propageerde, kwamen mensen voort die in de jaren '70 en '80 een grote naam kregen: Philippe Ariès, Emmanuel LeRoy Ladurie, Jacques LeGoff en Georges Duby. De 'Annales'-mensen pakten de middeleeuwen op een geheel nieuwe manier aan. Ze waren geinteresseerd in landbouwopbrengsten, handelsroutes, de houding ten opzichte van de dood en de organisatie van kathedralenbouwers. Daar schreven ze dan ook nog leesbare en zeer verantwoorde studies over. Nu noemen we dat economische en sociale geschiedenis.
Toch kende het grote publiek in Frankrijk deze school nauwelijks en bij ons in Nederland waren alleen enkele mediaevisten met hun bestaan op de hoogte.
Hollywood en de Middeleeuwen
De gemiddelde Nederlander had echter inmiddels een andere invloed ondergaan: de film. Al sinds de start van de stomme film waren er kostuumspektakels vertoond door de filmers van Hollywood. Met de komst van de geluidsfilm en het tot in alle lagen van de bevolking doordringen van de film als massamedium, kwam ook het uit de 19e eeuw bekende, op dezelfde middeleeuwse verhalen en legenden gebaseerde plot weer onder de aandacht. 'The Hunchback of Notre Dame' (1923, 1939), 'The Adventures of Robin Hood' (1938) en 'Men of Sherwood Forest' (1954), 'Ivanhoe' (1952), 'Quentin Durward' (1955); allen maakten ze, met meer of minder succes, hun opwachting op het witte doek. De middeleeuwse golf in de film had zijn hoogtepunt in de jaren '50 en de vroege jaren '60 en dan vooral in zogenaamde B-films. Figuranten waren goedkoop en werden dus bij honderden gebruikt en de buitenopnamen vonden nog steeds plaats in de heuvels rondom Los Angeles, dus lekker dicht bij huis.
De Amerikaanse versie van de middeleeuwen heeft een bijna niet uit te wissen invloed gehad op het gemiddelde westeuropese idee van die tijd. Op zijn beurt was dit weer sterk beinvloed door de 19e eeuwse schrijvers met hun gebrekkige kennis van de periode en de Victoriaanse en Pre-Rafaelitische Engelse kunstenaars en de Neo-Gotiek. Vooral in aankleding, decor en kostuums zijn hun invloeden nog steeds te herkennen. Dus ook hier dikwijls een duidelijke mengeling van stijlen en perioden, geboren uit onkunde.
Amerikanen lijken daarbij een voorkeur te hebben om tot in het oneindige door te gaan met middeleeuwse cliché's. Zo worden tot nu ridders in harnas via een takelconstructie op hun paard gehesen, zijn schilden altijd van blik en springt er bij elk duel altijd wel iemand over een laag rondgezwaaid zwaard heen of duikt er onderdoor, zijn in herbergscenes de brallend lachende, serveerster grijpende dronkelappen niet van de lucht, zijn de zalen in de kastelen nog steeds enorme ruimtes met geweldige wenteltrappen waarop altijd wel een duel plaats vindt en gaan bijna alle op banieren en schilden voorkomende wapentekenen in tegen alle regels van de heraldiek (terwijl handboeken op dit gebied toch wijd en zijd verbreid zijn), en zo is er bij een intocht of toernooi toch altijd weer die scene waarin een rij trompetters, gehoorzaam de wangen bol, een stukje fanfare voor trompetten, trombones en tuba schuin door het beeld laat schallen.
Deze en andere beelden vormen de achtergrond van de kennis die de gemiddelde Nederlander van de middeleeuwen heeft. Sinds het begin van de jaren '60 werd dit menu nog aangevuld door TV-series als Ivanhoe en Thierry-la-Fronde, en wat later, Floris. Ook deze series gingen gewoon door waar de films en de 19e eeuwse romans mee begonnen waren. Alle bovengenoemde cliché's kwamen er in voor. Alleen was er wat minder figurantenmateriaal voor handen, kostuums waren goedkoper, er zaten minder paarden in en meer studioscenes. Daarbij kwamen ze niet uit de USA, maar ze werden respectievelijk in Engeland, Frankrijk en Nederland opgenomen.
Diezelfde jaren '60 zagen de uit Amerika afkomstige Illustrated Classics, strips naar verhalen uit de wereldliteratuur, ook in Nederland verschijnen. Wat waren de onderwerpen? Juist, weer die 19e eeuwse romans, weer die neogotische vormgeving, weer die clichés.
De nieuwe mediaevisten
Inmiddels, rond 1975, leek er iets te groeien in het middeleeuwse wereldje. Er was een groep 'jonge' Nederlandse mediëvisten afgestudeerd, die vrolijk aan het publiceren sloeg. De Fibula reeks, populaire boekjes met veel middeleeuwse onderwerpen, liep al sinds het begin van de jaren '60, maar werd nu pas echt populair. Verschillende historici schreven goed toegankelijke verhalen over Floris V, middeleeuwse steden, Hoekse en Kabeljauwse Twisten, kastelen, koken, etc. Ook archeologen ontdekten de middeleeuwen en gingen aan stadskernonderzoek doen in de oude Nederlandse steden. Steden namen zelfs eigen archeologen in dienst. Op archieven kwamen, vooral na 1980, steeds meer studenten origineel onderzoek doen, terwijl ze zich daarvoor voornamelijk met literatuuronderzoek bezig hielden. Ook dit had zijn neerslag. Hun scripties verschenen in druk bij kleine, jonge uitgeverijtjes en haalden een redelijke oplage. Dat zou echter wel eens het gevolg geweest kunnen zijn van het feit dat de middeleeuwengolf nu echt toegeslagen had.
Rond 1980 verschenen drie boeken die bestsellers werden en alledrie een middeleeuws onderwerp hadden. E. LeRoy Ladurie publiceerde 'Montaillou' (1975, Nederlandse vertaling 1984), Barbara W. Tuchmann bracht 'A Distant Mirror' (De Waanzinnige Veertiende Eeuw) uit (1978, Nederlandse vertaling 1981) en Umberto Eco 'Il Nome della Rosa' (De Naam van de Roos) (1980, Nederlandse vertaling 1983), respectievelijk in Frankrijk, de USA en Italië. Deze boeken, maar vooral dat van Eco, leken de start voor de echte middeleeuwengolf te zijn. Ze werden vertaald in vele talen en deden een enorme vraag naar meer middeleeuws materiaal ontstaan. Klassieken werden opnieuw uitgebracht: Huizinga's 'Herfsttij' (1919), Haasse's 'Het Woud der Verwachting' (1949), Origo's 'De Koopman van Prato' (oorspronkelijk 'The Merchant of Prato', 1957, Nederlandse vertaling 1985), Renoud's 'Afrekenen met de Middeleeuwen' ('Pour en finir avec le Moyen Age', 1977, vertaald in 1981 en in 1992 opnieuw uitgegeven als 'De Middeleeuwen; Een herwaardering'). Jonge academici (Van Oostrom, Van Anrooij, e.a.) zagen plotseling hun scriptie zonder veel moeite in druk uitkomen en verkopen, ja zelfs uitverkocht raken. Van Oostroms Maerlants Wereld (1996), over de 13e eeuwse schrijver/dichter Jacob van Maerlant, veroverde zelfs een prestigieuze literatuurprijs. Er ontstonden tijdschriften voor bestudeerders van de middeleeuwen en uitgeverijen begonnen een speciaal middeleeuws fonds. Romanschrijvers, maar vooral -schrijfsters, kwamen met midddeleeuwse titels op de markt; de schrijfster Ellis Peters is tot twintig delen van haar serie over kloosterdetective Brother Cadfael gekomen voor ze in 1998 stierf (voorbeeld voor Umberto Eco?) en zij was niet de enige.
De inhoud van de meeste romans is niet ongelijk aan die van Scott, Hugo en de rest. De schrijfsters (het zijn echt meestal vrouwen) hebben duidelijk veel research gepleegd en hun huiswerk gedaan, maar de verhalen zijn nog net zo romantisch en een aantal cliché's is nog steeds niet verdwenen. Daarbij heeft men nogal de neiging typisch twintigste eeuwse mentaliteitstrekjes in de middeleeuwen over te planten. De geëmancipeerde vrouwen zijn daarom in deze romans niet van de lucht. En dat terwijl veel vrouwelijke mediëvisten juist zo hun best hebben gedaan om in tientallen studies het beeld van de middeleeuwse vrouw duidelijk boven water te krijgen. Het vervelende voor hen was daarbij dat de meeste van de beschrijvingen van vrouwenlevens uit de kerkelijke hoek afkomstig waren en daarbij juist van die mannen in de kerk, die, uit angst, een hekel aan vrouwen hadden. Een evenwichtig beeld is hierdoor niet echt te krijgen.
In de USA bestaat al jaren een vereniging met duizenden leden, genaamd The Society for Creative Anachronism (SCA) die zegt de middeleeuwen te willen hercreëren en die het hoofse gevoel ook in deze tijd wil verspreiden. Alle leden zijn echter op z'n minst schildknaap (er is geen burger of boer te zien), en je kunt het, via een strak georganiseerde competitie van toernooien, van baron, graaf, hertog en prins tot koning brengen. Een niet zeer verantwoord beeld van de middeleeuwse maatschappij dus. Vrouwen kunnen ook vechten als ze willen, maar als ze toevallig met een toernooiheld getrouwd zijn of op een andere manier aan hem verbonden zijn, stijgen ze met zijn overwinningen mee op de maatschappelijke ladder en kunnen de vrouwelijke versie van zijn titels voeren; als dat niet 'democratisch' is! Ook in Europa zijn er afdelingen van de SCA en zelfs Nederland kent er één. Het moge duidelijk zijn dat de Amerikanen in ieder geval nog niets van de studie van de middeleeuwen geleerd hebben.
Op de Nederlandse TV werden de laatste jaren zowel Floris als Ivanhoe herhaald, kwamen oude ridderfilms op zaterdag- en zondagmiddag terug en in één jaar (1991) kwamen twee bioscoopfilms over Robin Hood uit, terwijl er binnen 5 jaar twee serieuze series over en één persiflage op Robin Hood op de Britse TV te zien waren. Zijn de inzichten hierdoor bij het grote publiek veranderd? Nee hoor. De herhalingen werkten daar natuurlijk al helemaal niet aan mee, maar ook de nieuwe films wijken nauwelijks van de gebaande paden af met alle bekende cliché's vandien (behalve de eerste Robin Hood serie, die redelijk correct van aankleding en sfeer was). Het zijn nog steeds de kruisingen tussen romantiek, hoofsheid en barbarij die al meer dan 100 jaar de ronde doen en dat geldt eigenlijk ook voor de bovengenoemde boeken uit de middeleeuwengolf, of zoals professor Herman Pleij zegt: "De belangwekkende werken van serieuze historici, in stapels bij de kassa en in vele talen vertaald, gaan over onderwerpen als: ketters, heksen, pest, melaatsheid, moord, brand, verkrachtingen, hongersnoden, overstromingen, strenge kou en vorst. Never a dull moment!"
Onze vooroordelen over de Middeleeuwen
Régine Pernoud noemt in haar 'De middeleeuwen; Een herwaardering' het in haar jeugd (ze is van 1909) in schoolboeken voorkomende verhaal dat horigen het grootste deel van hun tijd doorbrachten met het tot zwijgen brengen van kikkers in de vijvers van hun heer door met stokken op het water te slaan. Ze zegt letterlijk: "Dat zo'n ongelooflijk absurd fabeltje gehoor heeft kunnen vinden - men vindt het al vanaf het begin van de zeventiende eeuw in teksten - toont aan hoe de verbeelding de overhand heeft op het gezonde verstand. Men dacht er zelfs niet aan te achterhalen wie nu het meeste lawaai zou hebben gemaakt, de kikker - als je hem al tot zwijgen zou kunnen brengen - of de man die bezig was op het water te slaan."
Deze manier van denken is typerend voor hoe de gemiddelde mens op de middeleeuwen reageert. Het besef dat middeleeuwers eigenlijk net zulke mensen waren als hij, wil er maar niet in. Dat ze zoveel mogelijk een normaal leven wilden leiden, met het natje en droogje op z'n tijd, een warm bed en een dak boven hun hoofd, lijkt gewoon te saai en te weinig opwindend. De middeleeuwen moeten exotisch, spannend, romantisch, ellendig en wreed zijn; voor het bereiken van een andere mening moeten bergen verzet worden.
Laten we ons, voor we ons in enkele hardnekkige vooroordelen gaan verdiepen, even realiseren waar we het over hebben als we het over 'de middeleeuwen' hebben. Het gaat hier om een tijd die ruwweg duurde van ca 500 tot ca 1500. Duizend jaar van onze geschiedenis dus. Als je duizend jaar aftrekt van 1994 zit je in 994, midden in de middeleeuwen. Realiseer je wat er in die afgelopen 10 eeuwen allemaal gebeurd is, van het begin van de kruistochten, via de 80-jarige oorlog, de Franse Revolutie, de uitvinding van de stoommachine, twee wereldoorlogen tot het ruimtevaarttijdperk, en zet die periode dan eens af tussen de val van het Romeinse Rijk en de ontdekking van Amerika: dat is gewoon ontzettend lang!
De eerste serie vooroordelen is al te verwachten door het feit dat men niet kan zeggen in de middeleeuwen deed men zus of was men zo. Niets is ooit duizend jaar lang op dezelfde plaats hetzelfde. Er is groei en teruggang, er zijn perioden van conflicten en perioden van rust. Terwijl op de ene plaats een epidemie heerst, kan een aantal kilometers verder de boer in alle rust en bij stralend weer zijn oogst gezond en wel binnenhalen. Een mode in 1200 in het zuiden van Frankrijk rondom Lyon, kan 30 jaar nodig hebben om Dordrecht te bereiken. Een pelgrim liep in enkele maanden van Dover (na een boottocht) naar Rome waar hij een heel andere samenleving aantrof dan thuis. Men kan dus niet zeggen dat in 'de' middeleeuwen iets was of niet was, als men niet tegelijkertijd erbij zegt waar en wanneer precies, onder welke omstandigheden en soms nog onder welke soort mensen iets zo was.
Hoe was het leven in die tijd dan wel en hoe weten we dat?
Omdat middeleeuwers mensen als wij waren, kun je ervan uitgaan dat ze sliepen, aten, werkten, uitrustten, etc. Op afbeeldingen wordt dat bevestigd: je zie middeleeuwers in bed liggen, aan tafel zitten, bij een werkbank staan en op een bankje in de zon zitten. Ook de archeologie bevestigt dit vermoeden: er zijn pispotten gevonden (die stonden onder het bed), olielampen, bestek, kookpotten, gereedschap, producten als aardewerk, schoenen, smeedwerk, manden en meubelstukken. Zelfs speelgoed en schaakstukken worden opgegraven. In de stedelijke keuren (verordeningen) zijn posten te vinden die betrekking hebben op het doven van het vuur als men naar bed ging, de versheid van vis en vlees en het gewicht van brood, de plaats waar leerlooiers en pottenbakkers hun bedrijf mochten uitoefenen en verboden betreffen-de het dansen op kerkhoven. Daarnaast zijn er verzamelingen vonnissen waaruit een heleboel duidelijk wordt over de houding ten opzichte van en het al of niet nakomen van deze keuren. Al deze bronnen samen geven toch een redelijk overzicht van wat er in een stad in en om de huizen gebeurde.
Voeg daaraan toe de gegevens over kleding, accessoires, organisatie van stad, kerk en gilde en de uit veel bronnen bekende politieke situatie ter plekke en de kennis over landschap, economie en financiën, handelsbewegingen en verkrijgbaarheid van levensmiddelen in de loop der seizoenen, etc. etc. en je krijgt een beeld, soms scherp, soms vaag, van het dagelijks leven in een middeleeuws samenleving.
Het leven was verschillend van nu, maar komt ons, als we de optelsom van de bovengenoemde feiten bestuderen, niet exotisch of op een andere manier vreemd voor. Het leven was eenvoudig, sober en soms zwaar voor de gewone man, wat rijker en overvloediger voor de beter gesitueerde en natuurlijk bijna ondraaglijk voor de echte arme, al was er altijd liefdadigheid. Men was zeer waarschijnlijk met weinig tevreden, maar vond een aantal keren per jaar genoegen in zo veel mogelijk eten en drinken ter gelegenheid van een feest. De sociale controle zorgde in onze ogen voor een beetje benauwende samenleving, maar vormde aan de andere kant een warme bescherming van familie en gezin. De mobiliteit van de bevolking was niet groot, maar er werd wel degelijk gereisd en men verruimde zijn blik. Nieuws verspreidde zich weliswaar met de snelheid van een paard, zeilschip of een voetganger, maar werd gretig aangehoord. Wetenschappelijke kennis was niet bepaald algemeen, maar praktisch en ter zake kundig was men wel. Een ambachtsman had een degelijke, lange opleiding achter de rug en de producten van deze mensen waren meestal van een grote functionele schoonheid, zelfs als het 'massa'producten waren.
Gewone mensen uit de jaren tussen 500 en 1500 waren geen halve wilden. Het waren mensen net als wij, die graag een dak boven hun hoofd hadden, voldoende voedsel en kleding wilden en af en toe een verzetje. Dat misoogsten, hongersnood en besmettelijke ziekten soms roet in het eten gooiden was een probleem waar ze geen antwoord voor hadden. Dat heeft onze generatie pas, met zijn kunstmest, internationale handel en geneeskunde. En dan nog...
De gewone man kon dikwijls niet lezen of schrijven, maar dat had hij of zij ook niet zo nodig; er waren toch geen kranten en de drukpers, die het schrift duizendvoudig zou verspreiden, kwam pas na 1450. Hij leefde echter niet in onkunde van politiek, wetenschap of kunst. Hij kon dikwijls in zijn eigen onderhoud voorzien door zelf voedsel te verbouwen en te verwerken. Er waren markten, er was handel met dichtbij en ver weg, zodat de meest exotische producten over heel Europa verspreid werden. Er was recht en orde als er sterke heersers waren die de orde konden bewaken. Anders nam men het heft zelf in handen. In de steden bijvoorbeeld zorgde men voor de eigen veiligheid en voorspoed. Men was zich bewust van de noodzaak van hygiëne, men kende verscheidene natuurlijke remedies tegen ziekten, die nog hielpen ook. Men opereerde, zette beenderen en trok kiezen.
Als de gemiddelde middeleeuwer de riskante kinderjaren was gepasseerd, kon hij een redelijke ouderdom van tussen de 65 en 70 jaar bereiken. Er waren trouwens ook mensen die soms veel ouder werden. Men at gezond; al wat er verbouwd werd was ecologisch geteeld. Het menu was niet erg gevarieerd, zeker niet bij de gewone man, maar het eten was voedzaam en rijk aan de stoffen waarvan we nu weten dat we ze nodig hebben. Men at volgens het jaargetij, maar maakte vlees, groenten en vruchten in voor perioden dat ze er niet zouden zijn. Aan het eind van de winter kon men gebrek aan sommige voedingsstoffen krijgen, maar dat was tot voor kort in Nederland nog zo en in veel landen in de wereld tot op de dag van vandaag.
Men was, in tegenstelling tot wat gidsen in onze kastelen beweren, niet veel kleiner dan nu. Opgegraven skeletten hebben laten zien dat de vrouw ca 158-162 cm lang was en de man ca 169-172 cm; ongeveer de lengte van de vooroorlogse generatie. Er zijn natuurlijk wel kortere mensen gevonden, maar ook veel langere; tot over de 190 cm toe!
Misdaad werd in theorie zwaar bestraft, maar in de praktijk van de al genoemde vonnissen werden de meeste zware straffen omgezet in boetes en bedevaarten; slechts zelden werden lijfstraffen echt ten uitvoer gebracht.
Er was oorlog, ook in wat nu Nederland is, maar legers waren klein, er vielen weinig gewonden en doden nog minder; meestal liep een oorlog met een sisser af en werd er door onpartijdige scheidsrechters een vrede gesloten. Alleen de steeds meer verbreide inzet van huursoldaten zorgde soms voor verharding van de vijandelijkheden, maar dan voornamelijk in de vorm van plundering van oogst, dieren en kostbaarheden (die er nauwelijks waren) en daarna brandstichting in onroerend goed en tevens de nodige verkrachtingen. Dat laatste was overigens een misdaad die met de dood werd bestraft en als de daders, ondanks een oorlogssituatie, door de magistraten of hun eigen kapiteins werden betrapt en gevangen, konden ze op de uitvoering van het vonnis rekenen.
Vrouwen in de middeleeuwen worden door de moderne mens dikwijls als arme, achtergestelde wezens beklaagd. Ook hier is het nodige op af te dingen. De gewone mens keek heel anders tegen vrouwen aan dan de dikwijls gefrustreerde geestelijkheid, de enige stand die veel en meestal negatief, behalve als het over een heilige ging, over hen schreef. Vrouwen werden gewaardeerd in het huishouden, konden het beroep van hun man overnemen, beheerden hun eigen bezittingen en waren bepaald geen onmondige sloofjes. Dat kwam pas toen de geestelijken via de herinvoering van het Romeinse recht aan hoven en in schepenraden de vrouw op een plaats terug zetten die ze tijdens het Romeinse Rijk had gehad; het bezit van de man. Maar dan zijn we aan het einde van de middeleeuwen.
De kerk was een instelling waar niemand omheen kon. Men behoorde allen tot die kerk, liet er kinderen dopen, biechtte er met Pasen, ging ter communie, woonde missen bij, ontving het laatste oliesel voor zijn dood en werd op het kerkhof, of, als je geld had, in de kerk, begraven. Er waren bijna heilige priesters en religieuzen, maar ook oplichters en schuinsmarcheerders. De paus woonde ver weg in Rome of, tijdens een bepaalde periode, in Avignon, waar hij voor veel geld ambten verkocht en in luxe leefde. Dit laatste was, ondanks de afstand, ook de gemiddelde Nederlander bekend en het had geen goede invloed op zijn mening over de kerk, want de paus benoemde ook zijn eigen parochiepastoor. Of misschien eigenlijk diens plaatsvervanger, want veel pastoors oefenden hun 'roeping' niet zelf uit, maar lieten dat een remplacant of vervanger doen. Het kloosterleven was in sommige conventen en abdijen soms behoorlijk verwaterd en maakte dus ook al geen goede indruk. De houding ten opzichte van de officiële kerk van de gemiddelde middeleeuwer zal dan ook, gezien de regelmatig opkomende protestbewegingen tegen de genoemde uitwassen, dikwijls een sceptische geweest zijn. Hij was daarom des te gevoeliger voor die hervormers, die probeerden de kerk tot zijn oorspronkelijke taak terug te brengen.
Kunst en wetenschap stonden dikwijls in dienst van de kerk. Iemand die zich daarin niet kon vinden, kreeg al gauw het wantrouwen van de geestelijkheid te voelen. Er bestonden eigenlijk nog geen vrije kunstenaars en geleerden, men beschouwde zichzelf als een gewoon ambachtsman. Maar intussen werden de prachtigste kunstwerken gemaakt en deed men spectaculaire uitvindingen (dikwijls in eerste instantie uit het nabije of verre oosten afkomstig), die nu nog hun gevolgen hebben. Ik hoef alleen maar de windmolen, de polder, de keerploeg, het buskruit en de knoop te noemen.
Eigenlijk heeft de kerk dikwijls zaken ten kwade gekeerd. Zij stond ontwikkelingen in de weg, was kleinzielig op het gebied van het vrije denken en zorgde voor veel hypocrisie. In de dagelijkse praktijk viel de invloed van de kerk dikwijls wel mee. De meeste pastoors en kapelaans waren mensen uit het volk en begaan met hun parochie. Ze deden goede werken en leefden hetzelfde leven als hun parochianen, dikwijls, ondanks de verboden, met vrouw en kinderen en naast de andere mensen werkend op hun akker. Ook kloosters en abdijen hadden hun functie, naast het contemplatieve, ook als bewaarplaatsen van cultuur. Want dat kan niet ontkend worden: ondanks de uitwassen, heeft de kerk door haar ideeën, kerken en kunstschatten een grote invloed op latere eeuwen van onze beschaving gehad.
De adel, een belangrijk aspect van het leven in romans en films over de middeleeuwen, maar in werkelijkheid een zeer klein onderdeel van de maatschappij, had een duidelijke functie in het geheel van de middeleeuwse samenleving. Zij bestuurde het land en voerde oorlog, want dat was haar Godgegeven taak. De basis van de adel lag op hun versterkte stenen huizen (die wij, maar niet zij, kastelen noemen) op het platteland, maar in de 14e eeuw vestigden vele jongere zonen zich in de stad en kwamen zo, door hun bestuurservaring en stand, ook in het stadsbestuur terecht.
De adel (en de ridderschap, wat niet overal hetzelfde was) leefden meestal van de opbrengst van hun goederen, maar, ondanks dat het tegen hun internationale erecode inging, begaven zij zich ook in de handel en een enkele keer zelfs in het ambacht. Omdat de adel afhankelijk was van de oogst van hun landerijen, had ze er alle baat bij dat die oogst groot genoeg was en dat de mensen die op de landerijen woonden in de gelegenheid waren het voedsel te verbouwen en binnen te halen. Het had dus geen zin je onderdanen te onderdrukken of door het rijpe koren te gaan rijden, als je zelf ook wilde eten. Er waren natuurlijk wel kortzichtige lieden die dergelijke streken uithaalden, maar dat kregen ze later zelf (letterlijk) op hun brood.
Die kastelen moeten we ons trouwens niet te groot en rijk voorstellen. Dikwijls bestond het voor de gemiddelde edelman uit niet meer dan een flinke bakstenen toren omgeven door een wal met de dienstgebouwen er omheen of tegenaan. Veel uitgebreide fortificaties waren er nog niet. Alleen de vorst of de rijkste edelen konden zich kastelen van de grootte van het Muiderslot veroorloven. Ook was de leefstijl van de Nederlandse adel niet erg weelderig of luxueus. Natuurlijk konden ze, als ze niet te veel geldzorgen hadden, comfortabel leven, maar extravagant waren ze zeker niet. Zelfs aan het hof van de nogal spilzieke Hollandse graaf Willem IV (1337-45) kleedde men zich in redelijk eenvoudige en degelijke wollen kleding en waren juwelen en zijde zeldzaamheden. Ook de uitgaven aan voedsel en vermaak liepen aan de hoven niet de spuigaten uit; alleen op hoogtijdagen werd er extra uitgepakt, maar dan waren er ook dikwijls honderden monden te voeden.
Natuurlijk waren er mensen die buiten de geregelde samenleving vielen. Bedelaars, die meestal tegelijkertijd zwervers waren, omdat ze nergens echt welkom waren, verstokte misdadigers, vooral al door lichamelijke straffen getekende figuren, die in bendes rondzwierven als ze niet door een sterke autoriteit werden ingerekend, afgedankte huurlingen, die eveneens in groepen een niet al te zeer beschermde streek onveilig konden maken, zwervende studenten, ook vaganten genoemd (maar dat waren die andere groepen eigenlijk ook), trokken bedelend en stelend van universiteit naar kathedraalschool en, ten laatste, maar er waren nog veel meer onaangepasten, de speellieden. Deze groep bestond uit allerlei entertainers, die zowel armelijk en zonder veel kunde of talent konden zijn als welvarend en van hoge kwaliteit. Er konden muzikanten, jongleurs, toneelspelers, dierenleiders, acrobaten, vertellers, poppenspelers en allerlei ander kermisvolk bij zitten. De waardering voor de speellieden kon heel verschillend zijn, maar hun kleurige en luidruchtige bijdrage aan feesten werd altijd dankbaar ontvangen.
Naast deze voor het grote deel ongewenste zwervers, was er ook nog de wat minder verdachte groep van reizende kooplieden, de marskramers, de reizende doktoren, theologen en leraren, de bedelmonniken (wiens goede naam overigens na de 13e eeuw wel verdwenen was), de pelgrims en de rondreizende hofstoet van de vorst, die toch ook wel eens voor het nodige ongemak kon zorgen.
Men moet echter niet denken dat er nu onophoudelijk voddige, stelende, rovende en kleurig buitelende groepen mensen over de dijken en wegen van Holland trokken. Het aantal was beperkt, want het land was dun bevolkt en alleen in de zomer was comfortabel reizen mogelijk (als het niet te veel regende). Alleen iemand die echt op reis moest of wilde deed dat.
Kortom, de middeleeuwse samenleving komt uit de bronnen voor Holland en omgeving niet erg extreem kleurig, ellendig of gewelddadig naar buiten. Het ging er waarschijnlijk voor een groot deel van het jaar uiterst braaf en gemoedelijk aan toe.
Slot
De gemiddelde Nederlander weet de meeste van deze dingen niet. Hij is zelfs niet geheel zeker van tot wanneer de middeleeuwen duurden. Er zijn mensen die een persoon met een grote flaphoed op en een kanten kraag om, een middeleeuwer noemen of die denken dat Pieter Brueghel of Jan Steen middeleeuwers waren. Hij is er nog steeds van overtuigd dat de 'Riddertijd' er een was van extravagante banketten, smerige bedelaars en vreselijke ziekten.
Hij realiseert zich niet dat diezelfde middeleeuwers zijn rechtstreekse voorouders zijn. Dat ze in een huis woonden, weliswaar zonder stromend water, cv en televisie, maar dat ze net zo'n gezin hadden als hij, met kinderen die ondeugend waren en werden geknuffeld, dat ze ontbeten en nog een middag- en een avondmaal gebruikten, dat ze werkten zolang het licht was, dat ze boodschappen deden of groenten uit de tuin haalden, dat ze kookten en bakten, dat ze naar de kerk gingen en naar de kroeg, dat ze feesten hielden en optochten, dat ze dan dronken werden of er juist schande van spraken, dat ze naar de wc gingen en een keer in de week in bad, dat ze hun stoepje schoon hielden en de ramen lapten, dat ze voorzichtig waren met vuur en water, dat ze weinig afval hadden, want alles werd tot het echt versleten was gebruikt en hergebruikt, dat ze graag een kan bier lustten, maar liever nog wijn hadden, dat ze met de buurvrouw roddelden en afdongen op de markt, dat ze wel van een geintje hielden en soms erg vroom waren, dat ze 's avonds de deur op slot deden en in een echt bed gingen slapen tot de volgende ochtend.
Kortom, ze waren net als wij, alleen hadden ze misschien minder aan hun hoofd, ging het leven langzamer aan hen voorbij en was er tijd genoeg om op je gemak je dagelijkse taken te vervullen. Hoewel sommige middeleeuwers een zwaar leven hadden en tragische dingen meemaakten, waren de mensen uit die tijd geen haar beter of slechter dan wij. Misschien waren ze zelfs eerlijker en naiever. Maar daar kun je alleen maar naar gissen, want de gewone mens uit die tijd heeft weinig van zijn eigen roerselen op papier gezet. En als hij dat al heeft gedaan, is er nog minder van bewaard gebleven.
