Boekrecensie 18

De middeleeuwen als grabbelton

 

Ontdekking Middeleeuwen“Het verleden is een grabbelton waaruit iedere nieuwe generatie stukken en fragmenten te voorschijn haalt om er een verhaal van te maken dat haar kan helpen haar eigen tijd beter te begrijpen.” Deze zin komt voor in de ‘Slotbeschouwing’ van Peter Raedts historiografisch boek over hoe men in het verleden met de middeleeuwen omging: De ontdekking van de Middeleeuwen. Geschiedenis van een illusie (Amsterdam 2011). Hij heeft dan al ruim 300 pagina’s beschreven hoe men dat in Engeland, Duitsland en Frankrijk deed. Of niet, zoals bij ons. Maar daar kom ik nog op terug. Dat te voorschijn halen van stukjes middeleeuwen had dan echter wel een specifiek doel. En dikwijls was dat niet om de eigen maatschappij beter te begrijpen, maar meer om die in een bepaalde richting te masseren. Het gebeurde weliswaar door lieden die wij historici noemen, en die dat  sinds de vroege negentiende eeuw ook echt waren, maar hun visie werd dan meestal wel overgenomen door de politici van hun eigen ‘zuil’. Ter meerdere eer en glorie van zichzelf, hun partij, hun kerk en hun vaderland, zoals ze dat zelf zagen. Dat wel.

Raedts neemt de lezer mee op een, interessante, tocht langs lieden die de invloed van de klassieken zat waren en naar een meer nabije herkomst van het eigene van hun land en volk zochten. Bij die zoektocht herontdekten ze de middeleeuwen en pasten die vervolgens aan hun ideeën over die tijd aan. Tegelijkertijd was er hun eigen agenda. Die stelden ze al lezend en denkend op om het aanzien van hun land in het veranderende Europa van na de Franse revolutie en de Napoleontische overheersing op te peppen.  Maar er waren ook zoekende geesten die de gevolgen van de industriële revolutie verafschuwden en daarom zochten naar een alternatief voor de harde commerciële wereld van het kapitalisme waarin ze zich niet thuisvoelden. Verlichting, romantiek, liberalisme, socialisme, nationalisme en de christelijke kerken, zowel katholiek als protestant, hadden alle hun beeld van de periode en elk zag er aanknopingspunten in om zijn/haar denkrichting of zuil te versterken. Het verwijzen naar de middeleeuwen was verder een poging om het louter lokaal – of hoogstens regionaal - geïnteresseerde volk van de door de revoluties uit elkaar geslagen, versnipperde landen een gezamenlijk groots verleden terug te geven. Zo kon men zich dan koesteren in de warmte van romantische verhalen over heldhaftige voorouders, vorsten en geestelijken. Het zou tegelijkertijd voor een hechtere, echt nationale achterban voor vorst en regering zorgen.

In zijn voorwoord schrijft de auteur dat het beeld dat die zoekers, historici, filosofen en geestelijken van de middeleeuwen hadden een illusie was. Ze zochten naar een oplossing voor het failliet van de klassieke opvoeding, de chaos van de revoluties en de kilte van de industriële samenleving en vonden die ook. In hun eigen verbeelding. Want ze zetten heel gemakkelijk dat wat ze in bronnen over de middeleeuwen lazen naar hun eigen utopische denkbeelden om. Ze zochten naar “echtheid, eigenheid en gemeenschap” en herkenden die in ‘typisch’ middeleeuwse zaken als ridderlijkheid, de rijke cultuur van de middeleeuwse rooms-katholieke kerk en de gilden. Maar ze zetten ook de klassieke literatuur, die ze te gecompliceerd en kunstmatig begonnen te vinden, af tegen het authentieke geluid van dichters uit hun eigen, middeleeuwse, geschiedenis. Die werd dan als veel authentieker en dus echter ervaren. Daarbij ontzagen sommigen zich niet om daarmee te frauderen en gewoon teksten te verzinnen, zoals de Schot MacPherson in 1765 met de werken van Ossian deed, zogenaamd een bard, zoon van de mythische krijger Fionn mac Cumhaill (Finn McCool). Bijna iedereen trapte erin, waaronder zulke grootheden als Walter Scott, Goethe en Napoleon. En dat was niet de enige mythe die over de middeleeuwen werd gefabriceerd. Daarbij bleken ze bijzonder taai. Het is niet voor niets dat de middeleeuwen als historische periode tegenwoordig bijna niemand meer iets zeggen, maar dat de moderne mens gek is op de “populaire cultuur van historische films, nagespeelde veldslagen en agressieve computergames”. Die zijn namelijk voor een groot deel geïnspireerd en gebaseerd op juist die mythes, fabels en sprookjes over “gemeenschap, riddertrouw, opofferingsgezindheid, solidariteit, eigenheid, authenticiteit en al die andere deugden die ons in verhalen over de Middeleeuwen worden aangeprezen...”. En natuurlijk: vrijheid. Om maar te zwijgen over heksen, tovenaars, magische zwaarden, monsters en schatten. Degenen die mij kennen en die mijn columns en blogs lezen weten hoe zwaar het vechten tegen deze bierkaai is.

Raedts behandelt achtereenvolgens het beeld van de middeleeuwen in de renaissance, de tijd van de hervorming, de beginnende en volle verlichting in Engeland, Duitsland (waar Herder de invloedrijkste geleerde is) en Frankrijk. Daarna komt uiteraard de post-revolutionaire periode aan de orde met de romantici die een plaats voor het volk opeisten en die in alle drie landen ongeveer tegelijk tegen de overheersing van vreemden en dictators in opstand kwamen en hun eigenheid als natie propageerden. Het was de tijd van patriottisme en nationalisme, waarbij de Engelsen op hun oeroude parlement wezen dat sinds de middeleeuwen het teken van hun vrijheid was.  De Duitsers zagen in hun versnipperde middeleeuwse staatjes het vrije, zelfstandige en, waar nodig, agressieve Duitse karakter onder de bezielende leiding van de keizers terug, terwijl men zich in Frankrijk kon vinden in de gemeenschap van vrije Fransen onder hun zeer katholieke koningen (volgens Michelet).

Wie daar echter helemaal buiten vielen waren de Nederlanders. Niet dat er hier geen belangstelling was voor de middeleeuwen in de eeuw na de Franse tijd; historische romans, middeleeuwse bronnenuitgaven en de geliefde neo-gotiek in de kerkarchitectuur van de geëmancipeerde katholieken bewezen dat wel. Maar voor Nederland waren de opstand en de Gouden Eeuw veel belangrijkere ijkpunten voor hun nieuwe natie na 1830, al hadden de vaderlandse katholieken daar gemengde gevoelens bij. Omgekeerd weigerde koning Willem III het in neo-gotische stijl opgetrokken Rijksmuseum te betreden omdat hij het eerder een klooster vond dan een museum. Weliswaar vonden in de twintigste eeuw historici als Huizinga en Geyl met respectievelijk het sombergekleurde tafereel van de Bourgondische tijd in zijn nadagen en de groot-Nederlandse gedachte een zeker publiek (dat voor Herfsttij nog steeds bestaat) maar beide werden op den duur toch door de tijd ingehaald. De mediëvistiek in Nederland is, naar eigen ervaring, eerder een ondergeschoven kind gebleven en dreigt nu ook weer in één vat met de vroeg-modernen gegoten te worden. Daar is Raedts overigens niet tegen. Die zou graag zien dat er een nieuwe tijdperken-indeling komt: oudheid tot 1000, middeleeuwen van 1000 tot 1800 en nieuwe tijd van 1800 tot nu. Het is een intrigerend voorstel dat ik nog eens beter tot me door moet laten dringen, maar hier ga ik er verder niet op in.

In het tweede deel van het boek behandelt Raedts hoe de katholieken, de socialisten en de nationalisten over heel Europa hun eigen middeleeuwen vonden en toepasten. De eersten door terug te gaan naar een strict vanuit Rome geleide internationale geloofsgemeenschap gebaseerd op middeleeuwse liturgie, cultuur en kunst. De socialisten door de strijd aan te gaan met de kapitalistische stedelijke elite en werkers te organiseren in gilden die uitgroeiden tot vakbonden. En als laatste de nationalisten die een etnisch-raciale draai aan de diverse autochtone volken gaven door hun middeleeuwse roots te verheerlijken, hetgeen uitdraaide op de bekende uitwassen tegen de vreemdeling die daar niet in paste. Dit deel bevatte nogal wat herhalingen en las wat stroever dan de eerste helft van het boek, maar het was niet minder treffend. Als nog maar recent afgestudeerd mediëvist was ik natuurlijk bekend met de historiografie, ook die over de middeleeuwen. De Ontdekking van de Middeleeuwen is echter wel degelijk een ogenopener. Zeker als je binnen één werk kunt vergelijken hoe de vier bestudeerde landen met hun middeleeuwse verleden omgingen, en waarom. Ik betwijfel of dit in die drie buitenlanden ooit zo is opgeschreven. Een zeer nuttig en goed leesbaar boek dus. Het moet zeker op het nachtkastje van elke geschiedenisstudent liggen, en niet alleen zij de middeleeuwen-vroeg modern doen. Al was het alleen maar om te zien hoe geschiedenis in het verleden voor politieke doeleinden misbruikt werd. En misschien nog wel wordt.

De auteur pleit er aan het eind van zijn slotbeschouwing voor dat de moderne historicus de vreemdheid van die tijd ten volle tot zich moet laten doordringen en deze ter sprake moet brengen zonder dat arrogantie van de macht “het ritme van zijn spreken gaat vormen”. Hierbij moet hij/zij ervanuit gaan dat middeleeuwers niet dom waren en best voor zichzelf konden spreken. Hij/zij moet zich er echter tegelijkertijd rekenschap van geven dat zijn eigen cultuur volkomen anders is. Anders kunnen de grote verschillen tussen ons immers niet ter sprake gebracht worden? Met andere woorden: onze westerse cultuur heeft in de loop der eeuwen zoveel macht over zijn omgeving verworven dat wij het idee hebben dat wij de hele wereld aankunnen en beheersen. Natuurlijk is dat uiteindelijk niet zo, maar de middeleeuwer (en allen voor hen en velen na hem) beheerste niets en was bijna volledig overgeleverd aan wat met hem gebeurde. Dat tekende zijn houding tegenover zijn medemens, de kerk, de vorst, geweld, ziekte, misoogst en de vreemdeling. Hij vocht elke dag tegen de chaos. Ik kan niet anders dan dat volledig met de schrijver eens te zijn. Als gewezen beoefenaar van ‘levende geschiedenis’ en ervaringsdeskundige van het leven in replica’s van middeleeuwse huizen in Archeon kan ik alleen maar bewondering hebben voor mijn voorouders, omdat zij ondanks de met ons vergeleken primitieve omstandigheden waaronder ze leefden toch zoveel voor elkaar kregen.

Intussen is de periode tussen circa 500 en 1500 in de eeuwen erna vooral gebruikt als  excuus voor het doorvoeren van maatregelen die niet veel met de middeleeuwen te maken hadden.   Maatregelen die tot nu toe hun invloed hebben op het denken van zowel geleerden als politici, van kunstenaars en gewone mensen. Als het onderwijs, dat net zo aangetast is door die illusie, hier geen beter verhaal tegenover zet, zal het nog wel eeuwen zo blijven ook. Ondanks de protesten van mediëvisten. Vandaar dat je bij het onderwijs moet beginnen om dat beeld te veranderen. Ik ben daar hard mee bezig, maar het gaat langzaam. Intussen: dit boek is een aanrader. Ik hoop dat leken dit ook gaan lezen en zo aan de weet komen waar hun ideeën over dat oh zo romantische, maar tegelijk zo duistere tijdperk vandaan komen.

Henk 't Jong

15.1.2012

Peter Raedts, De ontdekking van de middeleeuwen. Geschiedenis van een illusie (Amsterdam 2011)