Column 28

Exit NHM, en nu de echte geschiedenis

Ik ben vanaf het eerste begin een tegenstander van een nationaal geschiedenismuseum geweest. Dat was er namelijk al. Het Rijksmuseum was vanaf zijn vestiging in het gebouw van Cuijpers in 1885 ons NHM. De uit Den Haag afkomstige verzameling van het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst werd er een integraal onderdeel van, met de opdracht de vaderlandse geschiedenis te illustreren. Ik ben daar de afgelopen 40 jaar, al of niet met kinderen, heel wat keren geweest en steeds was het weer een leuk uitje. De nadruk lag weliswaar veelal op de 17e en 18e eeuw, maar in combinatie met de collecties middeleeuwse en renaissance kunst en die uit de 19e eeuw, kreeg je toch een goed beeld van ons verleden. Het stikte er altijd van de schoolkinderen en toeristen. Tijdens de verbouwing, toen de collecties de boer opgingen, was ik blij dat ik eindelijk de zeven werken van barmhartigheid van de Meester van Alkmaar in museum Boymans eens rustig kon bekijken, in plaats van door fotograferende Japanners weggedrongen te worden.

NHM was hier

En toen moest er ineens een nieuw NHM komen. Met nieuwe directeuren en een nieuw gebouw, maar zonder collectie. Die zou geleend moeten worden van alle andere musea in Nederland of anders zouden de stukken digitaal beschikbaar gesteld worden. Ik vat het maar even samen, maar daar kwam het op neer. Waarom? Omdat het de Nederlander bewust moest maken van zijn/haar geschiedenis. Huh? Sinds wanneer is dat de taak van een museum? Het onderwijs wordt geacht de jeugd te leren hoe de Nederlandse en later de Europese en wereldgeschiedenis in elkaar zit. Historische collecties in musea, en natuurlijk al het andere erfgoed over heel Nederland, dienen ter illustratie. Natuurlijk moet je er dan wel bijzetten wat het is en waar het in ons verleden past, maar een museum is er niet om de geschiedenisles te vervangen.
Zogauw ik dit dacht, ergens in 2008 denk ik, begon ik te twijfelen. Want was die geschiedenisles wel zo effectief. Ik was toen al van plan mijn onderzoek naar de middeleeuwen in de klas te gaan doen en wist zo’n beetje wat ik aan niveau kon verwachten. Dat werd in 2009 en 2010 maar al te duidelijk. Het geschiedenisonderwijs over de middeleeuwen was één en al ellende: verouderde opvattingen, clichëteksten op kleuterniveau en anachronistisch geïllustreerd. Collega-historici verzekeren me dat het wat betreft de prehistorie of oudheid, maar ook renaissance en gouden eeuw zeker zo erg is. En dat moest het NHM opvangen? Met toeters en bellen en ‘refelectielounges, gamerooms, virtuele landschappen, opnamestudio’s en internetfora’? Dat is toch wel het paard achter de wagen spannen, vond ik.
Hoe meer ik hierover nadacht en hoe meer ik op internet meedeed aan de discussies over zowel de belabberde onderwijsmethoden als de vol blunders staande informatie die het NHM zelf op zijn INNL website zette, hoe meer ik tot de overtuiging kwam dat er iets heel erg fout zit met de Nederlandse geschiedenis en het onderwijs erin. Als er vele tientallen miljoenen uitgetrokken moeten worden voor een nieuwe musuemstaf en een gloednieuw gebouw in plaats van die in het onderwijs te steken om het te verbeteren, dan is er toch iets mis in een maatschappij? Vandaar dat ik er helemaal niet rouwig over was dat dat geld teruggedraaid werd en zo het NHM min of meer werd opgeheven.
Maar hoe moet dat dan met het geschiedenisonderwijs? Mijn artikel in Kleio, het blad van de Nederlandse geschiedenisleraren, de verwijzing ernaar die ik aan de Onderwijzersbond heb gestuurd, en het rapport, bedoeld voor onderwijzers, leraren en uitgevers (en daarom in voor iedereen begrijpelijk Nederlands geschreven) zijn bedoeld om tenminste op één onderdeel een verandering te veroorzaken: de educatie over de middeleeuwen. Maar ik hoop dat het ook aan zal zetten om de rest van het geschiedenisonderwijs aan te pakken, zeker dat over de periode voor 1700. Want dat het in het onderwijs anders moet is wel heel erg duidelijk aan het worden (zie ook de column van Nelleke Noordervliet in Trouw van afgelopen zaterdag 11.6.2011: ‘Onderwijs is kapotgeëgaliseerd’).
Probleem is natuurlijk wel de crisis en de daarvoor ‘nodige’ bezuinigingen. Breek me de bek niet open over de onverantwoordelijke graai-bankiers die ervoor gezorgd hebben dat regeringen op alle leuke dingen van het bestaan moeten gaan korten, maar ook op de noodzakelijke aspecten van ons gewone leven. Nederland is bedekt met een uiterst fijnmazig netwerk van erfgoedinstellingen. Elk dorp heeft zijn historische vereniging, zijn oudheidkamer of museum, zijn archief, zijn monumenten of beschermde landschappen. En de steden zijn dikwijls nog veel rijker van dat alles voorzien. De geschiedenis is hier letterlijk om iedereen heen te bekijken. Je staat er als het ware constant middenin. Mijn Amerikaanse kennissen zijn hier hevig jaloers op. Maar worden kinderen daarvan bewust gemaakt? Nee. Misschien dat die enkele bevlogen en idealistische onderwijzers en leraren die hen mee naar buiten nemen dat voor elkaar krijgen en hen dan op de locale of regionale herinneringsplekken wijzen. En dat ook in de les voorbereiden en erna evalueren. Als het uit de lesboeken moet komen kun je het namelijk wel vergeten: verouderde informatie, knullig gebracht, ver van hun bed gesitueerd en geijkt via examens die op multiple choice quizjes lijken. Bovendien wordt de geschiedenis van het platteland in de canon en de 10 tijdperken zo goed als vergeten (toch het grootste deel van het land) en is het nog steeds een hollandocentrisch, chauvinistisch verhaal dat verteld wordt.

Nee, goed dat het NHM van de baan is. En nu maar hopen dat al die bedreigde en voornamelijk op vrijwilligers draaiende oudheidkamers en lokale musea, met de hete adem van Halbe Zijlstra in de nek, de handen in elkaar gaan slaan, en met het archief, de historische vereniging, de monumentenzorg, de archeologen en de historici regionale verbanden gaan leggen. Daarna kunnen we dan de jeugd uit de streek verrassen met op hun eigen omgeving gerichte lespakketten op internet (en niet in dure boeken) waardoor ze de vaderlandse geschiedenis van heel dichtbij gaan kennen. Op een schoolreisje kunnen ze dan alsnog eens naar het, dan hopelijk weer open, Rijksmuseum gebracht worden, waar ze ook nog de ‘plaatjes’ bij de praatjes over de grote politiek te zien krijgen. Zo wordt dan hun eigen omgevingsgeschiedenis opgenomen in het grote geheel.  En als ze dan ook nog wat over de aangrenzende streek of die aan het andere eind van het land willen weten, kunnen we leuke reizende tentoonstellingen in de zaal voor de wisselexpo’s van het eigen museum neerzetten. Noem het een visioen, maar ik heb voor mezelf in ieder geval de eerste stap gezet. Heel treffend in dat verband was de opmerking van mijn jongste zoon toen hij mijn artikel in Kleio had gelezen: “maar waarom heeft niemand dat eerder opgemerkt?” Goeie vraag. Weten jullie daar een antwoord op?