|
Henk
't Jong
Foto Laurens 't Jong, 2008
Dit zijn geen literaire kritieken;
hoewel enige aandacht aan stijl, verhaal en mijn mening over
de publicaties besteed wordt, is het mijn bedoeling de historische
betrouwbaarheid van de inhoud te toetsen aan de laatste wetenschappelijke
kennis over de gekozen periode en het leven in die tijd. Schrijvers
staat het vrij met mij van mening te verschillen, maar als het
enigszins kan zou ik hun mening dan wel willen horen of lezen.
Als u zich aangesproken voelt, reageer dan alstublieft.
Alle recensies zijn copyrighted Henk 't Jong/tScapreel/2009 en
geschreven toestemming is vereist voor het publiceren of overnemen
ervan.

Terug naar Home
Archief
van de Recensies

Nr 1:
Ridders
voor kinderen verklaard;
Gerard Sonnemans, Mannen van
Staal, (Nijmegen 1999)
Nr 2:
Een
Ommelandse Queeste
Martine Letterie, Focke en
het geheim van Magnus (Amsterdam 1999)
Bernardine Beenackers-Heeren, Focke en de verborgen schatten
uit het Noorden; Een speurtocht in de Middeleeuwen (Groningen
1999).
Nr 3:
Vogeltje
wil niet trouwen!
Karen Cushman, Dàt nooit! (Rotterdam 1995)
(vertaling door Lilian Schreuder van 'Catherine, called Birdy',
1994)
Nr 4:
Vlaamse reis in de
tijd
Doreen Gaublomme, Leven in de 14de eeuw (Gent 2002)
Nr 5:
Alweer
de tijdmachine in...
Nicky Bullinga, Het Stein van Walraven (Zeist 2002)
Nr 6:
De Ommelanden
maken het weer niet waar
Martine Letterie en Rick de Haas,
Ridder in één slag; Hoe Focke en Eilco worden
opgeleid tot ridder (Amsterdam 2002)
Bernardine Beenackers-Heeren, Focke en de verborgen schatten
uit het Noorden; Kerken en Steenhuizen, (Groningen
2002)
Nr 7:
De vodden van de Kinderkruistocht
Thea Beckman, Kruistocht in
spijkerbroek, (Rotterdam 1973) (2001, mijn exemplaar:
66ste druk)
Nr 8:
Zo
leefde je dus niet in een kasteel.
Annemieke Kylstra-Wielinga, Leven
in een kasteel (Houten/Groningen 2000), Junior Informatie
nr 42.
Nr 9:
Berend
heeft wat met valken.
Martine Letterie, Een valk voor Berend (Amsterdam 2001)
en idem, Berend en de aanslag op de hertog (Amsterdam
2002), beide met tekeningen van Rick de Haas.
Nr 10:
De vodden
van de Kinderkruistocht 2
Nog eens het boek en de film
Nr 11:
De brief voor de
koning
Tonke Dragt, De brief voor de koning (Den Haag 1962)
Nr 12:
Alweer die vechtjassen...
Sam Taplin, Handboek voor ridders (Alkmaar [2007])
Gerard Sonnemans, Ridders. Wat iedereen over
ridders moet weten (Houten 2006)
|

13 Historische antihelden in de schijnwerpers.
Kinderboekenuitgeverij Niño, een ‘imprint’ van uitgeverij SWP, stuurde me onlangs drie deeltjes uit de serie Historische Helden om eventueel te recenseren. Ze zijn vers van de pers en vormen de voorlopers van wat, waarschijnlijk, een nieuwe serie moet worden die ons de heldenmoed van vroegere ‘Nederlanders’ moet inpeperen. Nou heb ik van jongsaf altijd moeite gehad met het begrip held en dat is er door de loop der jaren niet minder op geworden. Zeker recentelijk, met de verkiezingen van dat soort nationale helden op tv en het aandacht besteden aan dergelijke figuren in de nationale canon en de inmiddels ingevoerde 10 historische tijdvakken van de commissie De Rooij. Om maar te zwijgen van de al veel aangevallen oproep tot meer ‘VOC mentaliteit’ door onze minister-president. Ik heb in eerdere recensies en columns op deze website al dikwijls genoeg door laten schemeren dat ik niet zit te springen om dergelijke heldenverering in het moderne geschiedenisonderwijs of de jongerenliteratuur. Ik ben me er volledig van bewust dat de jeugd graag rolmodellen heeft en opziet tegen mensen die bijzondere dingen presteren, maar als dat politici, veldheren, vorsten of andere notabelen worden doet het me wel erg terugdenken aan de 19e eeuwse nationalistische historie waarvan ik in mijn schooltijd ook nog een staartje heb meegemaakt. De uitgever heeft mijn recensies echter duidelijk gelezen en kan dus weten wat hem/haar te wachten staat.
Waar gaan ze over, die boekjes? In de volgorde waarin ik ze heb gelezen: Hugo de Groot (door Lizzy van Pelt), Pieter Stuyvesant (Mariska Hammerstein) en Jacoba van Beieren (door Sunny Jansen). Dat zijn dus de eerste drie helden. Maar waarom dan? De Groot ontsnapte in 1621 in een boekenkist uit slot Loevestein om de rest van zijn leven in het buitenland door te brengen, Stuyvesant moest de WIC kolonie rond Nieuw Amsterdam in 1664 tegen zijn wil aan de Engelsen overgeven en Jacoba ontsnapte in 1425 in mannenkleren uit een andere gevangenis en verloor, ten koste van veel mensenlevens, het stukje Holland dat haar als gravin nog trouw was gebleven aan haar neef de Bourgondische hertog. Nogal tragisch allemaal. Volgens de verhalen (en hoe betrouwbaar zijn die?) waren De Groots dienstmeid, die de kist begeleidde, en de helpers die hem naar het buitenland wisten te werken in mijn ogen dapperder dan de knappe rechtsgeleerde zelf. En is een eigenwijs hardijzer die, waarschijnlijk ten koste van veel verliezen, het tegen een overmacht van Engelsen had willen opnemen nou wel zo’n voorbeeld ter navolging? En dan zwijg ik maar over de ongeduldige laat-middeleeuwse vorstentelg die niet begreep dat de tijden veranderd waren en die daardoor een speelbal werd van de politici die slim de façade van de ridderidealen gebruikten om met veel inzet van duur geweld landje-pik te spelen.
Deze verhalen moeten dan nog voor nauwelijks in de geschiedenis ingevoerde kinderen begrijpelijk verteld worden. De uitgever heeft daarom de verhalen in de tegenwoordige tijd laten schrijven. Ze worden voorafgegaan door een korte inleiding die de situatie tot dan toe behandelt (in het geval van Jacoba staat die zelfs ook in de tegenwoordige tijd; een hele opgave). De 17e eeuwse boekjes hebben een afsluitend hoofdstukje dat ‘Hoe het verder ging’ heet en het middeleeuwse behandelt in nauwelijks twee pagina’s de nasleep van Jacoba’s afstand van haar vorstendom in 1433, maar stopt al in het voorjaar van 1434 als ze met haar Frank trouwt. Haar dood twee jaar later was misschien te tragisch, al worden die van de andere twee helden wel behandeld. Verder zijn tussen de tekst steeds kadertjes – vormgegeven als stukjes vergeeld, geschept papier - te vinden met achtergondinformatie en uitleg van vreemde woorden. En op de binnenzijde van het omslag voor en achter staan landkaarten die de geografische situatie van het verhaal verduidelijken. Wel was ik onaangenaam verrast om op die bij het boekje over Jacoba de naam Oostervant, een gebied in Henegouwen dat de troonopvolger van de graven van het Henegouwse en Beierse huis als apanage kreeg, aan te treffen op de plaats waar je Rotterdam zou verwachten. En natuurlijk staan er veel vrolijk gekleurde plaatjes in. Kortom: ze hebben veel weg van moderne schoolboeken. Niet te dik, 56 pagina’s tekst in een fors corps met veel wit en illustraties en die kaders. Ik lees zoiets in een klein uurtje uit, maar wie ben ik...
De tekst is dus eenvoudige gehouden en er staat veel dialoog in. Oftewel: de historische personen worden allen sprekend opgevoerd. En erger nog: denkend. Ik ben me ervan bewust dat het een techniek is om de lezer zich bij de hoofdpersonen betrokken te laten voelen, maar het zorgt wel voor komische scenes. Zo lijkt het gezin van Hugo de Groot in het openingshoofdstuk wel erg modern in hun gedrag onder elkaar en vooral in de houding van de kinderen ten opzichte van de ouders. Ook het gesprek van directeur-generaal Stuyvesant met zijn voor galg en rad opgroeiende oudste zoon is nogal hedendaags (“Heb je je huiswerk al gemaakt?”). Maar vooral de omgang tussen gravin Jacoba en haar “legeraanvoerder” Lodewijk van Montfoort is hinderlijk anachronistisch. Er wordt tussen die twee gejijd en gejouwd bij het leven en het is ‘Jacoba’ voor en ‘Lodewijk’ na. Dat is niet hoe een onderdaan, al was hij nog zo adellijk, met zijn hoogste gebiedster omging in de late middeleeuwen. En dan heeft de gravin ook nog eens romantische gevoelens voor haar ridder (“…trouw, dapper, galant én hij is hartstikke knap.”). Jaja, maar dat is wel erg de geschiedenis ‘opleuken’. Vandaar dat ik, maar dat is persoonlijk, altijd moeite heb gehad met boeken die mij willen vertellen wat historische figuren dachten. Ik weet dat romanschrijvers die vrijheid nemen en ook krijgen, maar je kunt het nooit zeker weten dus het blijft natte-vinger-werk. Vandaar dat ik liever historische romans lees over figuren die meer vanaf de rand naar het grote gebeuren kijken in plaats van over de ‘prime-movers’. Tenzij het een historische verantwoorde biografie is, natuurlijk, maar dan nog.
We hebben hier echter te maken met kinderboeken die de jeugd een beeld moeten geven van wat opvoeders denken dat ze van geschiedenis moeten weten. En dat liefst zo kleurrijk en begrijpelijk mogelijk. De vraag is of dat in deze drie boekjes aan het lukken is. Ik betwijfel het. Ik heb al laten merken dat ik moeite heb met de heldenstatus van de hoofdfiguren; ik vind het meer antihelden. En wat moet je daar dan van opsteken als jeugdig lezer? Niet dat het niet nuttig is om te lezen over het mislukken van grootse visioenen (het verlies van Amerika voor ‘Nederland’, het verlies van je vrijheid van meningsuiting in de zo ‘tolerante’ Republiek en het verlies van je graafschappen door eigenwijs gedram), maar ik vraag me af of dat de bedoeling was van de schrijvers en uitgever. Je hoeft alleen maar te kijken naar wat weggelaten wordt. Aan De Groots werkelijke status van geniaal rechtsgeleerde, en theoloog, aan wie we het gedachtengoed dat de VN heeft doen ontstaan te danken hebben wordt weinig aandacht besteed; het draait toch om de slimme en romantische ontsnapping uit een zwaar bewaakt kasteel. Om over de wel heel summier aangeduide (kader op p. 13) problemen tussen Remonstranten en Contraremonstranten maar te zwijgen.
Of het ontaardt in een anachronistisch en nostalgisch beeld van de middeleeuwen zoals we dat al 100 jaar voorgeschoteld krijgen door Hollywood. Zie de tragisch romantische gravin die botst met de mannenwereld van de vroege 15e eeuw. Het zou hier gaan over feminisme avant la lettre. Er wordt gesuggereerd dat Jacoba niets anders deed dan met het zwaard in de hand haar leger aanvoeren en na haar afstand in een zwart gat van verveling viel omdat haar niets anders overbleef dan borduren als het een ‘jonkvrouw’ (oftewel een ongehuwde adellijke dame!) betaamde. Dat gewapend aanvoeren van haar troepen is gewoon een fabel. Als ze al bij een veldslag aanwezig was, en dat is niet eens zeker, dan toch ver van het strijdgewoel en zeker niet te paard in de eerste linie gekleed in houppelande en met templettes en sluier, zoals door de tekenaar wordt gesuggereerd. Dat zouden haar mannelijke soortgenoten nog minder hebben getolereerd dan haar opvolging als vrouw op een troon, waarvan een gedeelte van haar onderdanen vond dat er een man hoorde te zitten. Zie maar wat er met Jehanne d’Arc rond diezelfde tijd gebeurde. Zij had in mannenkleding en volledig harnas de Franse troepen tegen de Engelsen aangevoerd en wilde, na haar uitlevering (door de Bourgondiërs) aan de laatsten, die kleding niet meer afleggen. Het was één van de beschuldigingen die haar in 1431 het leven kostten.
Het boekje over Stuyvesant vond ik het vaagst. Het is ook het meest onsamenhangende. Er worden een paar verhaaltjes (overval op Nieuw Amsterdam bij afwezigheid van de baas, dreiging van de Engelsen waarbij oorlog, ondanks verzet van de baas, wordt vermeden) verteld met een tussenpoos van 9 jaar, we krijgen een glimp van Nieuw Amsterdam en van het gezinsleven van de hoofdpersoon en verder zijn het korte stukjes informatie over Indianen en de Nederlandse relicten in Amerika in naam, plaats en zaak en vooral gebruiken. De held is geen held, zoals ik hiervoor al schreef, want de man was nu niet bepaald een geliefde kolonist, zeker niet bij de WIC. Daarbij was het een hardliner die ook nog eens bijzonder intolerant was naar andere religies toe; met name de Quakers. In Nederland is hij echter zo goed als vergeten en eigenlijk alleen maar bekend via een sigarettenmerk dat de Amerikanen naar hem hebben genoemd. De geschiedenis van de kolonie Nieuw Nederland is best interessant, maar om die nou helemaal op te hangen aan een nu niet zo representatieve (maar wie was dat daar wel?) vertegenwoordiger van het koloniaal gezag vind ik overdreven.
Dat is het probleem dat ik met alle drie die boekjes heb: een periode in de geschiedenis (de overgang naar Bourgondisch of Engels gezag van ‘Nederlandse’ gebieden en de richtingenstrijd in het Twaalfjarig Bestand) wordt opgehangen aan een paar namen met een zekere weerklank. En dan wordt veel moeite gedaan om via hen bepaalde gebeurtenissen te verklaren. Dat is onmogelijk. De beide ontsnappingen, één in mannenkleren en één in een boekenkist, en de meningsverschillen tussen een directeur-generaal en zijn kolonisten zijn te mager om zo’n geschiedenis aan op te hangen. Het gaat voorbij aan de wreedheden en gevolgen van de strijd tussen Hoek en Kabeljauw, de betekenis van Hugo Grotius of Huig de Groot had voor het internationaal recht en de gevolgen van het conflict van Remonstranten en Contraremonstranten (papa heeft ruzie met prins Maurits…) en de invloed van de WIC op de Amerikaanse koloniën. Ik zie niet hoe hiermee het begrip voor die perioden in de geschiedenis gediend wordt.
En dan die titels! De boekjes over Jacoba, Huig en Pieter heten respectievelijk: ‘Paniek op het slagveld. De strijd van Jacoba van Beieren’, ‘Geen licht en geen lucht. De ontsnapping van Hugo de Groot’, en ‘Een ordeloze bende. Het New York (!?) van Pieter Stuyvesant’. Wat iemand daar mee voor had en waar het op slaat; ik weet het niet.
Natuurlijk let ik ook op historische fouten in tekst en op afbeeldingen, en die zijn er genoeg. Ik ga hier echt niet alles opnoemen, maar geef een paar voorbeelden uit elk boekje. De tekeningen van Danker Jan Oreel in Stuyvesants heldenverhaal zijn technisch de beste van de drie. Hij kan goed driemasters tekenen en de indianen-uitrusting ziet er verantwoord uit, maar van midden 17e eeuwse Europese kleding en de architectuur van de Republiek heeft hij geen benul. Zo zien we onze held op pagina 52 op het bordes van een 19e eeuws huis staan gesticuleren, en hebben alle huizen die we in Nieuw Amsterdam zien 18e en 19e eeuwse vensters, pannendaken en verdere details. Rob Daniëls van het Hugo de Groot boek is een veel minder competent artiest en weet evenmin veel van, nu vroeg,17e eeuwse kleding. Ook zit hier weer iedereen met een volledige veer te schrijven (zoals in alle historische films die je ziet, Hollywood en non-Hollywood). Ik meen te weten dat andijvie (cichorium endiva) in de 17e eeuw nog niet als groente op het menu stond (cichorei was een geneeskruid) maar ik weet zeker dat de vork (beide p. 14) nog een zeer zeldzaam instrument was op de tafel van de Gouden Eeuw en alleen bij de elite voorkwam als vlees- en confitureprikker, niet als het opschepinstrument in combinatie met het mes zoals we dat nu gebruiken. Waarom lijkt die kist trouwens nergens op tenminste één van de drie bewaard gebleven exemplaren? En dan die fabel over metselaarskleding (p. 52). Net alsof metselaars uniformen aan hadden waaraan je ze kon herkennen. Het jasje dat als zodanig wordt getoond is gewoon een leren wambuis uit het begin van de 17e eeuw, dat door iedereen die het kon betalen gedragen kon worden; vooral soldaten, jagers, boodschappers en andere reizigers. Een metselaar zou echter een ongeveer gelijk wambuis gedragen hebben, net als alle andere werklui en gewone burgers in zijn tijd, maar dan van wol en gevoerd met linnen. Ook het feit dat een metselaar onder de witkalk zou zitten is te belachelijk voor woorden.
Ik laat het hier voor de 17e eeuw bij en ga naar de 15e. Tekenaar Jan Braamhorst zit wat kunde betreft tussen de beide anderen in, maar heeft helemaal geen verstand van de middeleeuwen. De kleding is clichématig en het hangt als hobbezakken om de mensen heen. Hij weet niet hoe de hoofdtooien van dames in elkaar zitten. De heraldiek klopt van geen kanten, wapenrustingen zijn anachronistisch en tonen bijvoorbeeld 16e eeuwse harnassen en 13e eeuwse helmen. Architectuur en huisraad zijn volkomen belachelijk en de tekening van het banket op p. 52 (weer!) is gewoon zielig. Ook hier weer die complete schrijfveren (de veren hebben al hun ‘baarden’ nog en dat was in de middeleeuwen nooit het geval). Kortom: het is een zooitje. En in de tekst is het al niet veel beter: in de middeleeuwen bestonden er nog geen linten (p. 11), laat staan dat ze in vrouwenkleding voorkwamen. Schildknaapkleding bestond net zo min als metselaarskleding (p. 13), de steden stinken weer eens (zoals iedereen tegenwoordig denkt te weten) en tellen smalle straatjes en sjofele mensen (p. 20), ordinaire soldaten mogen volgens Jacoba niet tegen dappere ridders vechten (p. 29), Filips de Goede heette tijdens zijn leven nog niet zo (p. 31), etc. etc. Ook nog een ‘famous last words’ van Jacoba op p. 33: “Boeren zullen ridders nooit verslaan”. Ze had waarschijnlijk nooit goed opgelet tijdens geschiedenisles. Dan gaat ze ook nog eens ’s nachts bij een brandende haard zitten (die ging bij het naar bed gaan uit) en kan ze zich geen ander leven dan een soldatenleven voorstellen (p. 35). Op p. 43 wordt een stad belegerd, maar we komen nergens te weten welke stad dat is (Hoorn?); heel slordig. En het favoriete ridderwapen van onze gravin is het zwaard. Jaja, en ze had er natuurlijk ook les in gehad om het te gebruiken (dit is ironie, 't is maar dat u het weet!).
Ik vind vooral het laatste boek een dieptepunt in dit serietje. Er is zoveel mis mee dat je niet weet waar je moet beginnen. Gelukkig komt er binnenkort een nieuwe biografie uit van vrouwe Jacque die het hele verhaal nog eens op een echte historische manier zal vertellen. De uitgever zal tegenwerpen dat kinderen dat toch niet zullen begrijpen. Buiten mijn vermoeden dat dat nog wel eens mee zou kunnen vallen, kan ik alleen maar tegenwerpen dat ze Paniek op het slagveld dan wel zullen begrijpen, maar met een volkomen verkeerd beeld van de periode, de gebeurtenissen en de mensen het broddelwerkje neer zullen leggen. Was dat de bedoeling? Ik denk het niet. Arme antiheldin Jacoba; niet alleen geen voorbeeld voor de jeugd, maar ook nog eens een aanfluiting in een geschiedenisles.
Henk 't Jong
5.8.2008
|